Jean Paul Sartre
III.
Het moderne stadsbeeld toont de decadentie (verval, achteruitgang) van een totaal vermaterialiseerde cultuur. In de gejaagdheid en de onrust van de lawaaierige, eindeloze verkeersstromen krijgt de wervelende dynamiek van een tot in het uiterste bewogen tijd, gestalte. Vormt zich het beeld van een gigantische strijd tussen tal van culturele organisaties in het binnenste van deze tegen zichzelf verdeelde Westerse cultuur en van de heroïsche strijd van deze cultuur, een strijd, ondanks het schijnbaar tegenovergestelde, op leven en dood, tegen de dreigende overwoekering van het Oosten.
Naast schreeuwende reklames van cle groten in de wereld van het kapitaal, uitdagende afbeeldingen van schouwburgen en bioscopen met de belofte van een tijdelijke narcose. Uit de deuren van een café golft verdovende jazz-muziek, chaotisch en nerveus geluid.
Gierende straaljagers spuwen in een wedloop met het geluid walmend witte strepen op het blauwe hemeldoek. Ginds laten vuurspuwende raketten temidden van wolken rook en smook de aarde vèr onder zich. Zoeken onzichtbaar hun weg langs eindeloze banen. De mens bereist de wereldruimte: een logische climax in een eeuwenoude wetenschappelijke ontwikkeling.
Verspreid tussen de flats en vele massale hoekige bankgebouwen, staan oude romaanse en gothische kerkgebouwen als een vreemde wezenloosheid in de eeuw van cle techniek. De Westerse cultuur gegroeid aan de boezem der kerk heeft zich als een ontaarde zoon van haar afgekeerd. In sterkere mate dan ooit tevoren is de mens der twintigste eeuw vervreemd van God en godsdienst.
De gedachte, dat deze eeuw — in zijn uiterste gespannenheid en bewogenheid en zijn wrede greep op de mens door middel van mode, radio, televisie, amusement, koortsachtig zakenleven, en dergelijke, die hem elke rust of bezinning ontstelen en hem voortzwepen steeds verder van God en godsdienst af, dit alles samen onder de doem der totale vernietiging — het geestelijk gestel en de uiterlijke verschijningsvorm van de mens onaangetast gelaten zou hebben ware op 't minst een dwaasheid. De verschijnselen van een zeer verontrustende gedaanteverwisseling worden het
duidelijkst gevonden aan een typerend deel van de stadsbevolking, verpersoonlijkt in de nozem.
De nozem aanbidt alleen de idolen van het moderne amusement. Hij kan zich alleen geven aan de totaal verdwaasde en verziekelijkte dans-en bewegingskunst van deze tijd. Hij huilt tranen met tuiten als zijn favoriete voetbalclub verloren heeft, een symptoom van belachelijke sportverdwazing. Het moge vreemd klinken, maar deze nozem nu — die, gedreven door een waanzinnige vrijheidswaan, bewust de dwaasheid en de onzinnigheid ten troon verheft — is het type van de Sartriaanse mens. Het nozemspook is een vreemde en toch ook al weer bekende verschijning op straat geworden: gehuld in de bespottelijke kleding van een absoulute smakeloosheid en een laatdunkende onverschilligheid. Gekleed in een jacquetachtige zwarte jas, een rode stropdas om, gedragen op een grauw sporthemd, dat zich naar beneden in een spijkerbroek schijnt voort te zetten. Een paar vervaarlijke puntschoenen, een sigaret slingerend in één der mondhoeken en een onvergelijkbare bos haar, voltooien het beeld. Het geheel leunend met alle tekenen van verveling en ontevredenheid op het gelaat, tegen een lantaarnpaal.
Dit is het schrikbeeld van de moderne levenshouding. Dit is het beeld van de onmenselijke mens, zonder enig godsdienstig besef, zonder levensbeeld, zonder levenswaarde. Van de mens ook die geen oordeel meer heeft, noch ideaal en die tevergeefs zich tracht te verzadigen aan wat de wancultuur van het vermaak hem zou kunnen bieden. Zij, die in het geestelijk slop der zinneloosheid en verdwazing van Sartre verzeild geraakt zijn, kunnen alleen in de zelfmoord nog maar een laatste heil zien. Opnieuw zien we hier bevestigd, dat er een onafwijsbaar verband bestaat tussen de mens der eeuw en de wijsgeer der eeuw.
Intussen zal het de aandachtige lezer duidelijk geworden zijn, dat datgene wat wij een historieël geloof noemen, gezien tegen deze achtergrond reeds een grote genade is, omdat het de mens en zijn leven plaatst in een zinvol verband.
Al is het zo, dat wij het „waarom" der dingen zeer vaak zullen moeten oplossen in het „daarom" der Goddelijke Voorzienigheid, want Hij alleen is de Zin van dit leven. Dit niet alleen vanwege Zijn bestaan, maar ook door Zijn onmiddellijke medewerking in het handelen van elk mens, wat Calvijn zo schoon uitlegt in het eerste boek van de Institutie.
Van de mens daarentegen, die werkelijk gelooft in de waanzinnige Vrijheidsidee van Sartre en in zijn Absurditeitsidee, blijft niet veel meer over dan een geciviliseerd dier. Sartre is erger dan een heiden.
Een latijns woord voor „bestaan" is exsistere. Van dit woord stamt af: existentie (het bestaan). De gedachtengang, die zich voornamelijk bezig houdt met de problemen van het bestaan, noemt men dan ook: existentialisme.
Het existentialisme heeft op wetenschappelijk terrein een enorme invloed. Zij beheerst voor een groot deel de wijsbegeerte, de theologie, de zielkunde (psychologie), de opvoedkunde (pedagogiek). Het aanzien van de geesteswetenschappen heeft zij totaal veranderd. Zij heeft echter ook de voedingsbodem van de beeldende kunst en de letterkunde voor een deel vergiftigd.
Het is te betreuren dat de meeste mensen zich overal voor interesseren behalve voor de eigen tijd. Wie echter iets van zijn eigen tijd begrijpen wil, dient de invloed van het existentialisme onderkend te hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1963
Daniel | 8 Pagina's