JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Lezers reageren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Lezers reageren

8 minuten leestijd

Gods genode en onze onbekeerlijkheid

Het is verheugend dat niet alleen de heren maar ook de dames der schepping ons blad lezen en zéér persoonlijk willen meedenken over de vraagstukken, die hierin aan de orde komen.

Immers, ook het getuigen van Jezus Christus is niet alleen een zaak voor mannen, maar evenzeer voor vrouwen. Denk aan het gedeporteerde israëlisch meisje, dat haar chef Naaman wees op de profeet te Samaria (2 Kon. 5). Zij lette niet op haar eigen ellende, op het ver verwijderd zijn van de „voorhoven des gebeds", maar op de grote nood waarin Naaman zich bevond. Paulus schrijft over vrouwen „die met mij gestreden hebben in het Evangelie (Fil. 4). Nu schreef een lezeres uit Zeeland:

„Dit is de moeilijkheid voor ons, die zich bij de „onbekeerden" moeten scharen, hoe kun je spreken over iets wat je zelf niet bezit?

't Is niet in de eerste plaats angst of valse schaamte, bij mij althans niet, ik zou niet weten waarvoor ik angst zou moeten hebben, om uitgelachen te worden misschien. Nu dat valt wel mee dacht ik, hoewel het voor jonge mensen wel even moeilijker is natuurlijk. En schamen dat hoeft echt ook niet, of het zou moeten zijn omdat we ons zo bitter weinig aantrekken van de opdracht die God ons geeft. Dat kan mij wel eens benauwen, als ik me 's avonds afvraag: wat heb ik vandaag gedaan tot meerdere glorie van Zijn Koninkrijk? , dan moet het antwoord zijn: niets. Dat is wel iets om angst en schaamte over te hebben dunkt mij".

In een vorig artikel schreef ik dat de Schrift het woord „onbekeerden" niet kent, ze spreekt over „ongelovigen", „goddelozen", „onboetvaardigen", enz.

De ongelovige kent een onbegrensd zélfvertrouwen en een mateloos wantrouwen jegens God. Dit uit zich veelal gekamoefleerd in nette bewoordingen. Zo zegt b.v. Nieodemus op een arrogante manier tot Jezus: „wij weten dat Gij zijt een leraar van God gezonden." Uit de woorden „een leraar" blijkt dat Nieodemus, ondanks al zijn beschouwelijke kennis, niets van Jezus begrepen heeft. Jezus beantwoordt Nieodemus' arrogante kompliment met „tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan. het Koninkrijk Gods niet zien".

Hiermee bedoelt Christus dat niemand, ook Nieodemus niet, zonder geboorte uit water en Geest Zijn nabijgekomen Koningschap kan zien. De heerschappij van Christus zien én haar binnengaan, kan slechts die mens, welke uit water en Geest verwekt wordt tot een nieuw leven, dat zich beweegt in het krachtenveld van het Koninkrijk. Een eerste kenmerk van deze geestelijke geboorte is, dat we het Koninkrijk gaan zfren.

Van nature zien we helaas Christus' Koningschap niet, we lopen op een schijnbaar-vrome manier aan Hem voorbij. We vragen verwonderd met Pilatus „zijt Gij de Koning der Joden? " Gij, met Uw geboeide handen en uw bebloed gelaat? „Laat U eerst maar eens zien dat U Koning bent".

En deze giftige rebellie kunnen wij — dank zij ons arglistig hart! — zeer „fraai" verpakken en aan de man brengen.

Wees eens eerlijk, lezer(es)! Benauwt het u dat u nog steeds niet, met berouw en schuldbelijdenis, Christus' Koningschap hebt erkend? Of.... verdringt u deze gedachte en houdt u het maar liever op uw leventje zónder Christus? Hij vraagt, ja eist van u dat n voor Hem kapituleert, uw verzet staakt, uw wapens van vijandschap inlevert: hier én nu!! Lees hier nu eens niet overheen, ga hiermee uw binnenkamer in! Laat u met God verzoenen. Stel dit niet uit tot morgen, nu is het de dag der za-

ligheid. De Heilige Geest blijft niet eindeloos met u twisten. Want „de aarde die de regen menigmaal op haar komende indrinkt" en „doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking welker einde is tot verbranding" (Hebr. 6).

Hoe kan je spreken over iets dat je zelf niet bezit? Wel, elk gemeentelid — in het bijzonder het belijdende lid — heeft van Godswege de heilige roeping om van Jezus Christus te getuigen. Immers de gemeente is naar haar wezen „een heilige vergadering der ware Christgelovigen".

Door ons mateloze wantrouwen jegens God willen we datgene, wat Hij van ons eist, eerst in eigen hand hebben, het „bezitten". We willen niet van gegeven goed (genade) leven. We willen niet als arme bedelaars met alle tekort en schandelijke armoede dagelijks tot Hem vluchten. Dat is onze eer te na! We vertrouwen God niet, en onszelf helaas wél. Daarom pogen we het leven in eigen hand te houden, en zijn daarom dood door de zonden en misdaden.

En juist deze ontzaggelijke zonde moeten we leren kennen, betreuren, haten én vlieden! Dan gaan we, door Zijn onbegrijpelijke genade, ook verstaan dat Hij ons gebruikt als instrument. Niet omdat wij daarvoor zo geschikt zijn (integendeel!), maar omdat Hij genadig, barmhartig en groot van goedertierenheid is. Dan zegt u niet langer „ik móet getuigen", maar dan vraagt u verwonderd „wie ben ik, dat ik dit doen mag? ". Hoe is het mogelijk dat mijn tong, zo vaak „een vuur, een wereld der ongerechtigheid", nu Jezus Christus mag belijden? Dan begrijpt u Paulus toen hij zichzelf noemde „de minste der heiligen" en „de grootste der zondaren". Wie het vatten kan, die vatte het!

Verkeerde drijfveren

Er zijn mensen, die terwijl ze met buitenstaanden over Jezus Christus spreken, voor zichzelf moeten bekennen dat zij zelf óók niet in Hem geloven.

We dienen ons, met Paulus, te verblijden dat Christus wordt verkondigd, onafhankelijk van de vraag door wie dat gebeurt. „Christus wordt op allerlei wijze, hetzij onder een dekmantel hetzij in waarheid verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja ik zal mij ook verblijden" (Filipp. 2).

Maar is het niet huiveringwekkend om, terwijl we Christus aan anderen verkondigen, zélf niet voor Hem in het stof te buigen? Toch door te gaan met ons verzet en ons zelf te verharden?

Nu zijn er in deze tijd diverse mensen die beweren: „al ben ik dan zélf nog niet tot bekering gekomen, ik ga toch maar aan het werk, dan geeft God misschien wel het geloof aan mij".

Nu, dit klinkt zéér vroom, maar het is in wezen niets anders dan één grote poging om te ontkomen aan de gekruiste Christus, aan de verzoening met God door Hem.

Dit is al een oud verschijnsel. De schare vroeg aan Jezus „wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? " Wat antwoordt Hij dan? Wel, „dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft" (Joh. 6). Elk werken buiten het geloof in Jezus Christus is geraffineerde ergernis aan het Evangelie, niets anders dan een schandelijke poging om zónder overgave van het hart aan Hem tóch in de stal te komen. Wie „niet ingaat door de deur (Christus) in de stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar."

Er is maar het éne gebod: bekeer u en geloof het Evangelie!

Als u niet in Hem gelooft, is er het zeer grote gevaar dat u het Koninkrijk der hemelen sluit voor de buitenstaanden, door hun verkeerde denkbeelden omtrent Jezus bij te brengen. Immers, niet voor niets zei Hij „maar wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden! Want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, aangezien gij daar niet ingaat, en degenen, die ingaan zouden, niet laat ingaan" (Matth. 23).

De Boodschap des heils wordt vaak ongeloofwaardig, alleen door het ongeloof van de boodschapper. Want welk antwoord geeft u op de vraag: „wat betekent nu die Christus, over Wie u spreekt, nu eigenlijk voor u zelf?

Immers, „zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vreze".

De buitenstaande heeft heel gauw door

of uw spreken en gedrag ademen uit het levende geloof in Christus, dan wel of u een van buiten geleerd lesje afdraait, toneel speelt. Als hij om dit laatste Christus verwerpt, is hij niet te verontschuldigen, maar evenmin u die daartoe aanleiding gaf!

De enige verantwoorde drijfveer tot het getuigen is: „de liefde van Christus dringt ons".

Als deze drijfveer er niet is, dan gaan andere — vleselijke! — drijfveren een rol spelen: geldingsdrang, godsdienstige zelfbevrediging, machtswellust, enz. En dan maar zwijgen over Jezus Christus? Maar net doen, in uw omgang met buitenstaanden, alsof Hij niet bestaat, alsof Hij dood is?

Dan spelen dus andere drijfveren een rol: Godloochening, egoïsme, geestelijke luiheid, eerbied voor het publieke fatsoen, enz. enz.

Bij elke andere drijfveer dan de liefde van Christus, sta IK in het centrum en niet Hij en de buitenstaanden. Lezer(es), tenslotte aan u de zeer persoonlijke vraag: waarom getuigt u van Jezus Christus? óf waarom getuigt u niet van Hem?

Kunt u het Paulus van harte nazeggen: „want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem, want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!"? ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1963

Daniel | 8 Pagina's

Lezers reageren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1963

Daniel | 8 Pagina's