JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een bladzijde voor en van onze jeugd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bladzijde voor en van onze jeugd

8 minuten leestijd

Allereerst plaats ik een brief, die de nieuwe sekretaris ons nieuwe Landelijk Verband jullie heeft geschreven. van

Beste jongens en meisjes,

Ja, dat moeten we er nu boven zetten! Op verschillende jaarvergaderingen waren al veel leden van de jongelingsverenigingen aanwezig, maar zaterdag 27 april 1963 is pas officiëel het Landelijk Verband van Knapen-en Jongemeisjesverenigingen opgericht op een vergadering, in Utrecht gehouden. Jullie begrijpen, dat voor die vergadering alle Knapen-en Jongemeisjesverenigingen waren uitgenodigd, want ze behoren er immers allemaal bij?

Er is ook een bestuursverkiezing gehouden. Ds. A. Elshout van Scheveningen is opnieuw tot le voorzitter gekozen. Jullie hadden toch zeker ook niet anders verwacht? We hebben een nieuwe 2e voorzitter gekregen, mijnheer de Bode uit Dirksland, die altijd secretaris van het Landelijk Verband van Knapenverenigingen is geweest. De penningmeester is nu tegelijk secretaris. Dat komt wel vaker voor. In het hoofdbestuur is een nieuw lid gekozen, mijnheer Pap uit IJsselmuiden. Hij is leider van de K.V. in Kampen.

Natuurlijk is er ook over andere dingen gesproken, zoals over onze jaarvergadering. Die zullen we D.V. dit jaar in Utrecht houden, dinsdags na Pinksteren. Dat is dus 4 juni. De vergadering begint kwart voor elf precies. We gaan als vereniging bij elkaar zitten op de plaatsen, die de leiders van de K.V. van Utrecht ons zullen aanwijzen. Dat is veel beter. Wie bij zijn brood een flesje chocomel wil drinken moet dat tijdig tevoren aan haar leidster of zijn leider opgeven, want er moet wel genoeg zijn, maar niet overblijven. De leiders van Utrecht moeten dus tevoren weten, hoeveel er nodig is en wat zij dus moeten bestellen.

's Morgens hoopt ds. A. Vergunst van Rotterdam-C. voor ons te spreken en 's middags de heer Born uit Vlaardingen. De bedoeling is niet al te laat klaar te zijn, zo tussen half drie en drie uur. Dan kunnen we fijn nog wat rondrijden en hier of daar wat spelletjes doen.

We hopen, dat veel leden van onze verenigingen op de jaarvergadering aanwezig zullen zijn. Het kerkgebouw is groot genoeg. Zullen we nu al afspreken, dat we geen rommel in de kerk zullen maken? Sommige mensen laten stapeltjes papier achter. Mooi is dat! Of niet? Het moet zó zijn, dat de kerkeraad van Utrecht zegt: Die meisjes en jongens zijn zo netjes geweest, ze mogen gerust nog eens terug komen. Daar werken we natuurlijk allemaal aan mee! Tot ziens in Utrecht, bij leven en welzijn.

Het spreekt vanzelf mijnheer Zoutendijk dat we allemaal komen en dat we de kerk zo netjes mogelijk zullen houden. Natuurlijk komen er ook veel jongens en meisjes, die niet op een vereniging gaan. De kerk van Utrecht moet vol worden. Elders in dit nummer vinden jullie nog de officiële uitnodiging afgedrukt staan.

De tollenaar

Ja, Heer, ik ben die tollenaar, Die staat met d' ogen neergeslagen. Ik ben het die met droef misbaar Mij als een zondaar aan moet klagen.

Hier sta ik met mijn zondeleed. Hier sta ik voor Uw heilig' ogen Ik ben het die zoveel misdeed En onder zoveel schuld gebogen.

Maar Heer, ik weet het, wie 'k ook zij, Gij zult mij toch niet henen zenden.

Ik blijf hier toeven, totdat Gij Uw blik ook tot mij heen zult wenden.

Ik ben die tollenaar, o Heer, Maar tollenaars slaat Gij ook gade Voor zondaars daaldet Gij terneer, Och, hoor dan ook mijn bee: Genade.

Dit mooie gedicht kreeg ik van een lezer uit Goes. Hartelijk dank, ik vind het iedere keer weer fijn als ik merk dat ook de oudere lezers belangstelling voor onze bladzijde hebben. En dan nu gauw verder met:

Uit het Leven en Lijden der Waldenzen (VII)

Als Pascal weg is verenigen ze zich weer om in groepsverband de tocht voort te zetten. Ze kijken nog eens om en dan blijven ze als aan de grond vastgenageld staan, want vanuit de vallei, ver achter en diep onder hen, stijgen zwarte rookwolken op. Dit is voor hen het teken dat de vijand de vallei is binnengevallen en dat ze al enige dorpen in brand hebben gestoken. Maar of St. Madeleine ook al verbrand werd, kunnen ze niet zien, omdat dit dorp te dicht aan de voet van de Mont-Sapin ligt. Nogmaals komt de gedachte op om terug te keren, vooral bij de vrouwen, want deze vinden het toch wel een beetje te zwaar. De grijsaards weten hen te weerhouden, door hen te zeggen, dat aan de andere zijde van de bergen rust en vrede heerst en dat, als ze terug zullen gaan, ze zo in de handen van de vijand zullen vallen. Hoe verder ze voorttrekken hoe woester het gebergte wordt; links en rechts wordt het uitzicht belemmerd door zware rotsklompen, boven hen is de grauwe wolkenhemel en onder hen sneeuw. Nu en dan wordt even gerust om wat voedsel te nuttigen. Dan gaat het weer verder, terwijl de wind steeds aanwakkert. Ook Blanche en haar kinderen wordt de ellende niet bespaard; maar toch zijn zij niet van de meest hulpelozen, want zij hebben nog een ezel, die hun kleren, voedsel en dekens kan dragen. En zij hebben ook het voorrecht, wat sommige anderen missen, dat ze geheel op de Heere vertrouwen en van Hem alle hulp en bijstand verwachten Als er gerust wordt deelt Blanche haar lot met de meest hulpelozen, zij verstrekt hun wat voedsel en vertroost ze met aanmoedigende woorden, 's Nachts wordt het meest geleden; zwaar zijn de ontberingen in de hevige koude van het hooggebergte en voor menigeen zijn dit de laatste uren.

Op de vierde dag, na een vreselijke nacht, worden de reizigers toch weer verkwikt door een heerlijk schijnend zonnetje. Maar velen ontwaken niet meer, want zij zijn in die koude nacht uit hun lijden verlost.

Moeder Blanche draagt nog steeds de kleine Henri en als Hubert en Gabriëlle eens vragen of ze hun kleine broertje ook eens mogen dragen, antwoordt ze met een bijzonder pijnlijke glimlach: „Laat hem maar met rust, want hij slaapt nog." Hubert en Gabriëlle zien aan hun moeder, dat ook zij totaal uitgeput is.

Dan begint de lucht te betrekken en weldra vallen er sneeuwvlokken, die zeer snel in aantal en grootte toenemen. Dit is te veel voor Blanche: ze laat zich neervallen in de sneeuw en begint bitter te schreien. Toch kunnen haar kinderen haar weer overeind krijgen. De anderen zijn intussen verder gegaan; alleen blijven de Beauvoisins achter. Weer valt Blanche van oververmoeidheid neer en roept: „De Heere heeft ons verlaten en de Heere heeft ons vergeten." Ook voor Gabriëlle is dit te veel. Hubert echter weet hen te bemoedigen. Hij leidt hen tot aan de bosrand, maakt hier onder een grote boom met laaghangende takken een tent, legt een kleed op de grond, waarop zijn moeder en Gabriëlle kunnen uitrusten. Hij dekt hen toe met jassen en kleren en maakt aan de ingang van de tent een houtvuurtje, zodat het in deze barre kou toch nog een weinig dragelijk wordt. Als moeder in slaap is gevallen, haalt Hubert de kleine Henri te voorschijn, want ze vinden het wel vreemd, dat moeder hem de hele dag niets te eten gegeven heeft, maar wat schrikken ze als ze zien dat hun kleine broertje dood is. Nu begrijpen ze waarom moeder de kleine Henri de hele dag reeds verborgen heeft gehouden. Hubert legt het dode lichaampje bij zijn moeder terug en in hun onbeschrijfelijk verdriet zoeken hij en Gabriëlle weer hun toevlucht bij de Heere.

Na een poosje ontwaakt moeder Blanche. „Waar is mijn kleine lieveling? " roept ze meteen. „O kinderen, ik geloof dat hij gestorven is. Ik heb hem willen warmen, maar hij bleef koud." Dan zegt Hubert, die weer een weinig versterkt is: „Kom, zal ik trachten een grafje te maken om onze kleine Henri te begraven? " „Wat, " roept Blanche, „wilt ge mij mijn kleine lieveling ontnemen? Dat nooit!" en ze strekt met woest gebaar haar armen over Henri uit. Blanche's geest is zo vermoeid, dat ze maar half meer weet, wat ze doet. Ze begint nu haar dode zoontje te wiegen en te sussen en een slaap-liedje voor hem te zingen. Dan probeert Gabriëlle haar overspannen moeder nog wat te eten te geven. En gelukkig! nadat ze wat gegeten heeft, valt Blanche in een diepe rustige slaap.

Wim Boone — (Wordt vervolgd)

En tenslotte

allen heel hartelijk gegroet en naar ik hoop D.V. in de Boothstraat te Utrecht. tot ziens op 4 juni

C. de Bode, Pr. Bernhardlaan 27, Dirksland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1963

Daniel | 8 Pagina's

Een bladzijde voor en van onze jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1963

Daniel | 8 Pagina's