Voedsel voor lichaam en ziel
21 september 1773. Een eenzame voetganger loopt van Wallam naar Tanjour, een afstand van anderhalve mijl. Het is erg heet, maar dat schijnt de man niet te hinderen; hij gaat met een vooropgezet doel. Bij Tanjour gekomen ziet hij pas wat een verwoesting de oorlog kan aanrichten. Een groot gedeelte van de stad is in een puinhoop veranderd. Pas vier dagen geleden is de vesting gevallen door verraad. De nabob van Karnatik heeft, verbonden met de Engelsen, de overwinning behaald op rajah Tolossi. Deze zit nu in de gevangenis en heeft nu de tijd om te overdenken wat er de laatste tijd is voorgevallen. Hij denkt aan Schwartz, die hij vroeger zo graag hoorde, maar op het laatst hebben zijn ministers zo'n invloed op hem gehad. Schwartz had tot hem gezegd: „Er is slechts één weg ten leven, en allen moeten we die weg zoeken te vinden."
De celdeur wordt geopend en daar staat in de deuropening de eenzame voetganger, die van Wallam naar hier is gelopen. Het is zendeling Schwartz.
Rajah Tolossi kijkt verwonderd op en vraagt: „Kent ge mij nog, vader? "
„Jawel, rajah, ik ken u nog. Ik heb medelijden met u en daarom ben ik naar u gekomen. De hand van God rust zwaar op u. Er blijft niets anders over dan met geduld alles te dragen. God moge u genadig zijn."
Langer mocht Schwartz niet blijven en meer woorden kon hij niet spreken. Op elk woord werd gelet. Hij moest listig zijn als de slangen en oprecht als de duiven.
Er was veel werk te doen. De kerk en de school in Tanjour waren door de oorlog verwoest. Als er geen plaats van samenkomst was, zou de gemeente vervallen en verstrooid worden. Dat mocht in geen geval. Er moest een vergunning tot kerkbouw komen, en niemand kon deze nu geven dan de nabob van Karnatik. Hij moest die nabob gaan spreken, maar dan zat Tanjour helemaal zonder leidsman. Wat te doen? Schwartz spoedde zich naar Tranquebar, het hoofdkwartier van de zending, om daar de situatie uit de doeken te doen. Hij smeekte om een zendeling, die Tanjour en omgeving zou moeten bearbeiden.
Na veel heen en weer gepraat besloot men zendeling Zeglin mee te geven. Zeglin ging dadelijk met Schwartz mee naar het arbeidsveld. Na enkele weken schreef hij naar Tranquebar: „In maart heb ik in Trichinopoli, Wallam en Tanjour wonderen gezien bij onze broeder Schwartz. Het zijn genadewonderen van God, want wie kan zichzelf iets toeschrijven? Wonderen op allerhande gebied, wie zou ze kunnen uitspreken? "
Nu Zeglin in zijn plaats was, kon Schwartz naar Madras gaan. Er móést een kerk komen in Tanjour. De reis ontzag hij niet, al was het nog zo warm.
De nabob voelt er echter niets voor. Het dringende verzoek van de zendeling helpt niet: een afwijzend antwoord is alles wat hij uit de mond van de nabob verneemt. Nogmaals doet hij een poging, maar zonder resultaat. Wat nu?
Gelukkig dat de zendeling al zo vaak heeft ondervonden, dat God machtig is om uitkomst te geven, waar wij geen uitweg meer zien.
Ziet, daar is Schwartz bezig zijn hart uit te storten voor de Heere. Zou Hij de weg willen banen? Het gaat toch om Zijn eer?
Nauwelijks opgestaan van zijn knieën, wordt er op de deur geklopt. Schwartz doet open en daar staat majoor Stevens. Dadelijk wordt deze binnen gelaten.
Een langdurig gesprek volgt. En wat stelt de majoor voor? Er is hongersnood uitgebroken en nu zal er een lokaal beschikbaar gesteld worden, waar de mensen eten bekomen kunnen. Tegelijkertijd zal het lokaal ingericht worden als bedehuis. Tanjour zal dus voedsel kunnen ontvangen voor het lichaam en voor de ziel!
We kunnen wel begrijpen dat Schwartz in majoor Stevens een bode zag, die door God werd gezonden op zijn smeekgebed. Toen de bode vertrokken was, knielde Schwartz nogmaals neer, maar nu om de Heere te danken voor Zijn grote genade, die Hij verleent aan nooddruftigen.
Het werd in Tanjour nu een grote toeloop, elke dag opnieuw, om voedsel te verkrijgen. En Schwartz stond op zijn post. In deze omstandigheden moest hij de mensen wel bekend maken, dat er ook voor hun zielen voedsel te vinden was, het Brood, Dat uit de hemel was nedergedaald. Het is wel waar, dat velen naar het lokaal kwamen om eten op zijn tijd te hebben, maar Schwartz gaf ze toch een boodschap mee om de bezoekers in het rechte spoor te leiden, onder de zegen des Heeren. Een Hindoevrouw had het begrepen en gevoeld. Zij sprak: „Toen wij vet waren, hebben wij naar uw goede lessen niet gevraagd. Nu heeft ons de Heere Jezus mager gemaakt, maar met de bedoeling, dat wij zouden horen en leren."
Rajah Tolossi zat nog steeds in zijn cel. Hij kreeg ook voedsel op zijn tijd, maar toch hongerde hij naar een troostwoord, dat Schwartz alleen kon brengen. Maar de zendeling verscheen niet. Niemand werd toegelaten en de gevangenis werd streng bewaakt. Hij was van de wereld totaal afgesloten. Een venster, dat uitzicht bood op de straat, werd dicht gemetseld. Zelfs de gouverneur mocht geen stap in zijn cel zetten.
Arme man! Hij was jaloers op de armen, die het evangelie konden horen. Hij was op het punt geweest om een christen te worden, maar hij was verward geraakt in de strikken, die zijn ministers voor hem hadden gespannen. Wat was hij zwak geweest. Nu was de bezoeking over hem gekomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1963
Daniel | 8 Pagina's