JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Lezers reageren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Lezers reageren

10 minuten leestijd

De bediening der verzoening

Van tijd tot tijd zal ik de reeks „Woord en wereld" onderbreken om reakties uit de lezerskring te beantwoorden. Tussen haakjes: ook uw reaktie is zeer welkom, opdat we niet langer „vreemden" voor elkaar blijven.

„Als ik hierbij inga op uw artikel van 29 maart j.1. dan is dat omdat ik de zaak die u aan de orde gesteld hebt van 7.0 groot belang acht, en eigenlijk de discussie rondom het citaat van Erskine dat u gegeven hebt wil openen.

Er schijnt zich hier namelijk een argument voor te doen dat met één veeg het hele citaat van Erskine naar het rijk der fabelen verwijst.

Dat argument dat zich in een vraag openbaart is dan: oe is het mogelijk om van een mens die dood is in zonden en misdaden te eisen dat hij zich bekeert en hoe zal een natuurlijk mens geloven en naar zijn beste kunnen het geloof ondernemen? De weg die God met een zondaar houdt, is die niet dat Hij hem inwendig roept, direct daarop levendmaakt en hem in de wedergeboorte het geloof schenkt, zoals ook Lazarus op de stem van Christus uit zijn graf opstond. Hoe zal een mens dood in zonden en misdaden acht geven op een prediking die met alle klem de woorden van Paulus (2 Cor. 5 : 20): Wij bidden u van Christus wege: aat u met God verzoenen" overneemt. Een mens zal daar toch alleen maar acht op geven als hij ook inwendig geroepen wordt, zoals God Lydia haar hart opende opdat zij acht gaf op hetgeen van Paulus gesproken werd (Hand. 16 : 14). Deze vragen komen m.i. voort uit een gedachtenwereld, die scheiding maakt tussen de bediening van het Woord en de bediening van de Geest, die uitwendige en inwendige roeping uit elkaar trekt. De gezant van Christuswege die ons het Woord verkondigt is evenwel ook begiftigd met de sleutelen van het Koninkrijk der Hemelen, zoals staat in Joh. 20 : 22 en 23.

„En als Hij dit gezegd had blies Hij op hen en zeide: ontvangt de Heilige Geest. Zo gij iemands zonden vergeeft dien worden zij vergeven, zo gij iemands zonden houdt die zijn zij gehouden". Omdat nu het vergeven van de zonden alleen aan God toekomt zo is deze tekst alleen te begrijpen als de bediening van het Woord nauw verbonden is met de bediening van de Geest, ja als deze twee hand in hand gaan. Als eens wat minder scheiding werd gemaakt tussen de bediening van het Woord en de bediening van de Geest, het spreken van Christus door zijn gezanten en het spreken van Hemzelf, dan kwamen de verontschuldigingen die geuit worden wel in een ander daglicht te staan. Dan moeten we „ik kan niet" gaan vertalen met „ik wil niet", of „ik laat God maar praten".

Calvijn leerde de kinderen in Genève: „Gods beloften zijn nooit zonder inhoud: Daarom staat het vast, dat ons in de Doop de vergeving der zonden wordt aangeboden en wij haar ontvangen." En op de vraag „komt deze genade in allen zonder onderscheid tot stand? " liet hij hen antwoorden „neen, velen doen haar te niet door hun boosheid. Toch doet dit aan de betekenis van het Sacrament niets af, ofschoon alleen de gelovigen er de werking van ervaren" *).

In zijn strijd met de wederdopers noemde hij de Doop voor de kinderen „het teken van de goedheid en het erbarmen Gods". De wederdopers meenden nl. — evenals nu de Pinksterbeweging, Baptisten enz. — dat de belofte Gods alléén aan de voorhoofden der ware gelovigen (cloor de Doop) verzegeld mochten worden. Maar Luther merkte op: „indien wij van de zonden opstaan tot een nieuw leven, oftewel: berouw hebben en boete doen, dan doen wij niets anders dan dat wij tot de kracht en het geloof van de doop, waarvan wij waren afgevallen, terugkeren en tot de belofte, toen gedaan, teruggaan, die wij in een zondige weg hadden verlaten. Want te allen tijde blijft de waarheid van de eenmaal geschiede belofte, die, als wij tot haar terugkeren, bereid staat om ons met een tot ons uitgestrekte hand te ontvangen" 2 ).

I11 Christus zijn al de beloften — ook de door de Doop verzegelde belofte — „ja en amen"; „alle komen ze in Hem tezamen, gelijk de lijnen van een cirkel in hun middelpunt" (Boston). En overal waar de goddelijke belofte is gegeven, wordt het geloof in de Belover gevraagd. „Want niemand kan geloven, als er geen belofte is en de belofte verkrijgt geen vastigheid als zij niet wordt geloofd" (Luther). Of zoals de onder ons welbekende Boston op de volgende tegenwerpingen antwoordde:

„Tegenwerping. Maar Christus is nu in den hemel, en ik hoor vandaar geen stem; hoe kan ik dan geloven, dat Hij Zelf Zichzelven aan mij aanbiedt?

Antwoord. Hoewel Christus in den hemel is, echter spreekt Hij van den hemel tot ons; nochtans niet door een stem, die door de wolken klinkt, doch door een stem, die in het Evangelie klinkt, Hebr. XII : 25: ie toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt Die van de hemelen is. En niet alleen is Zijn stem in het woord des Evangelies, maar Hij is er door Zijn Geest Zelf er in, gelijk de Apostel leert, Rom. X : 6, 7, 8. Daarvandaan is het, dat het een levendmakend woord tot de doode zielen is. Joh. VI : 63: e woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. Het is het levende zaad, waarvan het nieuwe schepsel geformeerd is, 1 Petr. 1 : 23. Jezus Christus heeft eenmaal door een stem, klinkende door de wolken, een woord van overtuiging gesproken, Hand. IX : 4, 5; maar zelfs in dat geval was het Woord van de aanbieding van Zichzelven overgewezen tot de prediking van het Evangelie, door een gezant daartoe bestemd, vers 6. En de stem van Christus, klinkende in Zijn geschreven Woord, is zekerder dan een stem, die door de wolken klinkt, 2 Petr. 1 : 18, 19. Deze stem in het Woord is de gestelde grond des geloofs, met welken het geloof zich

ter zaligheid moet vereenigen, Rom. 1 : 16: et Evangelie Christi: et is de kracht Gods ter zaligheid, een iegelijk die gelooft. Vers 17: ant de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof. En daar is geen waar zaligmakend geloof, daar het niet als de stem des Heeren zelf ontvangen wordt, 1 Thess. II : 13. Daarom moet gij het Woord des Evangelies, als het woord van Christus Zelf, gelijk het ook in der waarheid is, ontvangen.

Vraag. Maar hoe kan ik, een arm zondaar, van nature onder den vloek, gelooven dat Christus mijn Zaligmaker is, dat Zijn gerechtigheid en eeuwig leven, mijne zijn?

Antwoord. Gij moogt het gewisselijk gelooven, want gij hebt deswege het Woord en het getuigenis des eeuwigen Gods in Zijn heilig Evangelie.

Wat is het Evangelie waartoe de Apostelen gezonden waren om het in den naam Gods te getuigen? De Apostel Johannes verklaart het, 1 Joh. 4 : 14: ij getuigen, dat de Vader Zijnen Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. Is Christus Jezus dan niet, volgens ambt, al wat Hij in de uitkomst is: aligmaker der wereld? En indien Hij dus is, en gij van die wereld vol mensen een zijt, is Hij dan ook uw Zaligmaker niet? Waarom wilt gij het dan niet geloven? God heeft de zon in den hemel geplaatst, om een licht voor de wereld te zijn; en oordeelt gij daarom ook niet, dat gij zoowel een recht tot het licht van die zon hebt, als de overigen van het menschdom? En het diensvolgens vrij moogt gebruiken, om er bij te werken of te lezen, als uw eigen door de vrije gave Gods? Jezus Christus is insgelijks het licht der wereld, Joh. 8 : 12. Gegeven ten licht der heidenen, Jes. 49 : 6. En het geloof eigent zich dat toe, zeggende: e Heere is mijn licht en mijn heil, Ps. 27 : 1. Gij nu zijt een lid van deze maatschappijen, te weten de wereld en de heidenen; derhalve, Hij is uw licht, dat is, u ten licht gegeven. Wilt gij er Christus' eigen woorden op toepassen? Gij hebt die Joh. 6 : 32: ijn Vader geeft u dat ware brood uit den hemel. Wanneer uw buurman u brood geeft, zoo zult gij die zijne gift genoegzaam oordeelen, om het u eigen te maken; en dus vrijmoedig daarvan eten als uw eigen. Als uw prins u een huis en land zou geven, waarvan hij een ontwijfelbaar recht had om zulks weg te schenken, zoo zoudt gij die door zijn gift waarlijk de uwe rekenen; en gij zoudt gerust heengaan en in dat huis wonen, en dat land als uw eigen bezitten. Hoe is het dan, dat als de Vader u Zijn Christus geeft, gij echter niet wilt gelooven dat Hij de uwe is, Hem niet aannemend als uw eigen? Waarom, de waarheid van de zaak is hierin gelegen: ij gelooft uw buurman, gij gelooft uw prins, doch gij gelooft uw God niet, in Zijn heilig Evangelie, maar gij maakt Hem tot een leugenaar, omdat gij het getuigenis niet gelooft, dat God getuigd heeft van Zijnen Zoon, 1 Joh. 5 : 10. Maar hetzij dat gij het gelooft of niet, het is eene waarheid, dat Christus uw zaligmaker is; en indien gij het nu niet wilt geloven, tot uw zaligheid, zoo zult gij ongetwijfeld hiernamaals uw misverstand zien; wanneer gij, verloren gaande, niet omdat gij geen Zaligmaker hadt, maar omdat gij verwaarloosd hebt van Hem gebruik te maken".

God heeft geen lust in onze dood!

Wijlen ds. Kersten zei eens: „het water van het Evangelie omspoelt ons, maar we zijn te verwaand om er van te drinken"; „God is al nederig en de mens is nog trots" (Augustinus).

Grijpt dit u aan? Of „veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? ".

God is u kwijt en daarom bent u Hèm kwijt. Hij roept „Adam, waar zijt ge? ", Hij zoekt het verlorene, de gevallen mens, u en mij! God is niet uit op uw ondergang!, u bent daar zélf op uit door telkens Hem af te wijzen Die in het gewaad der beloften steeds tot u komt: de Zaligmaker der wereld.

Als u daarmee doorgaat dan gaat u verloren „niet omdat u geen Zaligmaker hadt", maar omdat u „verwaarloosd hebt van Hem gebruik te maken'.

Het ongeloof houdt altijd God verdacht. Het denkt dat Hij te royaal is als Hij „zo maar" de vergeving der zonden, Zijn Zoon, aanbiedt én dat Hij te streng is als Hij straks het verwerpen van dit aanbod en van Zijn geliefde Zoon gaat wreken! Dit is de huiveringwekkende èn bevrijdende ernst van het Evangelie: IMMA-NUEL (God met ons!) Wij mensen konden (en kunnen) ons aan de Heere Jezus vergrijpen, Hem kruisigen, alléén toen Hij Zelf zo ontzettend dicht bij ons was (en is) gekomen. Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!!

Nogmaals: God is niet uit op uw ondergang! Jezus Christus is uit liefde ondergegaan in de golven van Gods toorn tegen de zonde en daaruit als Overwinnaar opgestaan. En daarom kunnen we nu zingen: „Gij vindt in gunst en niet in wraak uw lust. De hitte van uw gramschap is geblust". Laat Hém dan uw gedoopte voorhoofd zien en zeg: „Heere, ik heb Uw geboden overtreden en uw heilrijke beloften vertrapt. Ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ben niet meer waard uw zoon genaamd te worden".

En dan zegt het Evangelie; .... en toen hij nog ver van hem was, zag zijn vader hém, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en toelopende viel hij hem om zijn hals en kuste hem

Het is öf „O God, wees mij zondaar genadig!" öf „weg met Deze, kruis Hem! kruis Hem!"

Lezer(es), wat is uw antwoord op Zijn Woord?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1963

Daniel | 8 Pagina's

Lezers reageren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1963

Daniel | 8 Pagina's