Woord en wereld
5
Natuurlijke kontakten
De kontakten van gemeenteleden met kennissen, kollega's, etc. hebben in de eerste Chr. Kerk vaak een grote rol gespeeld in de verbreiding van het evangelie.
De hoofdman Cornelius kent b.v. een „godzalige krijgsknecht", en hij geeft hem de opdracht om Petrus te ontbieden.
Uit latere berichten blijkt dat in het leger de ene soldaat de ander op de hoogte bracht van het evangelie.
In Korinthe ontmoet Paulus op volkomen natuurlijke wijze zijn kollega tentenmaker Aquila en door middel van dit kollegiale kontakt kan hij hem het evangelie brengen. De gelovigen in een stad nodigen hun buren uit om hen in te lichten over het grote Heil. Zo zijn waarschijnlijk de „huisgemeenten" ontstaan. Aquila heeft in Rome met z'n vrouw Priscilla teó een huisgemeente mogen vergaderen (Rom. 16 : 3—5). Kan dit ook van ons gezegd worden?
Paulus vermaant de gemeente te Efeze voorzichtig te wandelen, niet als onwijzen maar als wijzen „de tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn". De voorhanden schaarse mogelijkheden om het evangelie door te geven, moeten dus onder aanwending van „kosten" (inspanning) restloos uitgebuit worden.
De gemeente te Korinthe beveelt hij om de gelegenheid tot getuigen ten nutte te maken. „Uw woord zij altijd in aangenaamheid, met zout besprengd" (Coll. 4 : 6). M.a.w. er dus maar niet op los hakken, integendeel; met liefdevolle takt en voorzichtigheid de buitenstaande met Jezus Christus konfronteren. „Wie zegt gij dat Ik ben? ".
Onze woorden moeten met zout besprengd zijn, dus geen lege en holle termen, maar woorden die aangenaam en smaak-vol zijn. Het evangelie is dit overwaard! Bavinck zegt dat zij:
al deze dingen brachten als een „evangelie", een blijde boodschap. Er lag een zonnige glans over hun woorden, dat wat zij zeiden was goede tijding. Zelf hadden zij de vrede gevonden en daarom konden ze boden des vredes zijn. Hun gehele leven was doorstraald van een heilige blijdschap, daarom waren ze geschikte middelen om het evangelie aan anderen te vertellen" 3 )
Onheilig isolement
Het is een algemeen menselijke behoefte om met gelijkgezinde mensen om te gaan. Die begrijpen je het beste, met hen kan je het beste praten. Het verkeren onder gelijkgezinden geeft aan de mens een gevoel van zekerheid en veiligheid.
Daarom vindt menig gemeentelid het vaak maar zeer onprettig als een buitenstaande plotseling z'n kollega of buurman wordt. Want „die mensen zijn zo heel anders als wij, waar moet je met hen over praten? " We bewijzen hen de vereiste burgerlijke beleefdheid en laten hen verder links liggen. We gunnen hen wel een plaats in de hemel, maar niet een plaats in onze huiskamer! De Heere Jezus heeft echter geen „gelijkgezinden" opgezocht, maar „vijanden", die hem naar het leven stonden en aan een kruis spijkerden.
Daarentegen isoleerden de farizeeën zichzelf van „de schare die de wet niet kent", en genoten om hun krampachtige wetsvervulling aanzien en gezag bij het volk. De farizeeër achtte zichzelf een licht, niet een doorgever van hét Licht. Zij waren Jezus' grootste vijanden, want Hij ontmaskerde hun geestelijke hoogmoed. Hij plaatste hen op één lijn met publieke vrouwen en landverraders, die „nergens meer aan deden".
Ze verweten Jezus: „hij ontvangt zondaren (publieke vrouwen, etc.) en eet met hen". Wat zoudt u doen als er een publieke vrouw in uw kerkbank ging zitten? Haar geïrriteerd aanzien óf God bidden om haar bekering? ?
Als onze kollega of buurman een buitenstaande is, dan is dat geen „toeval". De Heere heeft hem op onze weg geplaatst, om hem te mijden? Nee, om hem te ontvangen in ons huis, voor hem met z'n geestelijke nood en zorgen open te
staan, en daarbij van Jezus te getuigen. „Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo? Weest dan gijlieden volmaakt" (Matth. 5).
God roept ons tot radikale zelfverloochening, tot verloochening van ónze behoeften. Lijkt ons leven vaak niet op het beeld, dat de heer Nijsse schetste van de nederlandse kerk der 18e en 19e eeuw:
„Men wilde rustig zitten in een vredig kerkje en slechts denken om het heil voor eigen ziel; men wilde mijmeren over God in een gebouw met gebrandschilderde ramen en onder hoge gewelven. Het denken aan de miljoenen die nooit van God hadden gehoord, zou de vredige rust maar verstoren; men had genoeg aan zichzelf te doen. De gedachte, dat mensen die nooit van Gods Woord hadden gehoord voor eeuwig verloren gingen, kwam zelden bij de kerkmensen op. Hoe zij tot het christendom waren gekomen daar werd niet eens bij stil gestaan" 2 ).
Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samariaü! Deze egoïstische gerustheid en zelfverzekerdheid zitten ons diep in 't bloed, omdat de liefde van Christus ons niet dringt.
Duizenden keren in Nederland aan Jezus de rug toe. En terwijl dit gebeurt, vraagt Hij ook aan ons: „wilt gij ook niet weggaan? " Wat is uw antwoord op Zijn vraag?
Heilig isolement.
Christus zegt van Zijn discipelen dat zij niet van de wereld zijn, zoals Hij niet van de wereld is. Betekent dit: zichzelf terugtrekken in het „onder ons", het zoeken van het isolement?
Nee, gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt, alzó heb Ik hen in de wereld gezonden. Met welk doel zijn ze de wereld ingezonden? Wel, om het evangelie te proklameren. En Christus bidt voor degenen „die door hun woord in Mij geloven zullen".
Zij mogen om Christus' wil het isolement niet zoeken, want dit is verraad aan hun roeping en opdracht. Dit zou de voortgang van het Koninkrijk versperren.
Juist omdat zij het isolement niet zoeken, worden zij er door anderen met geweld in gedrongen.
De Hoge Raad verbiedt hen over Jezus te spreken. Dit zou hen niet verboden zijn als zij over hun geestelijk leven gesproken hadden. Maar.. JEZUS is de rots der ergernis, Zijn Naam moet doodgezwegen worden. En dan antwoorden de discipelen: wij kunnen niet laten te spreken van hetgeen wij gezien en gehoord hebben", van kruis en opstanding dus. Is dit ook met ons het geval? Kunnen wij ook niet laten over Jezus te spreken met de buitenstaanden? De verstrooiden spraken in Antiochië tot de grieken „verkondigende de Heere Jezus". Deze verkondiging was gespeend van dogmatische formuleringen, want daarvoor was ze nog te vroeg, te veel opde-man af en te onberedeneerd. Niet het innerlijk leven, maar het kruis en de opstanding van Jezus Christus staan hierin centraal. En wie Hem door deze verkondiging als de opgestane Gekruisigde ontmoet, ontkomt niet aan een beslissing. Het is „weg met Hem!" óf „o God, wees mij zondaar genadig." Van tweeën één, een derde weg is er niet! Ons doorgeven van het evangelie moet vergezeld worden door het „bidt zonder ophouden." En met zachtmoedigheid onderwijzende hen die tegenstaan, of God hun te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid (2 Tim. 2 : 25).
Verschillende benadering
We moeten rekening houden met de geestelijke toestand van de buitenstaande.
Tot Nicodemus, met z'n „wij weten", zegt Jezus: „tenzij dat iemand wederomgeboren wordt, enz." Tot de, aan zijn goederen gehechte, rijke jongeling zegt Jezus: „verkoop alles wat ge hebt, kom dan herwaarts en volg Mij". Tot de zieken in Bethesda zegt Hij: „wilt gij gezond worden? " Op het loofhuttenfeest, in Zijn tijd in een lichtfeest met drinkpartijen ontaard, roept Hij: „Zo iemand dorst, clie kome tot Mij en drinke".
U ziet, dat de Heere Jezus de ene mens weer anders aanspreekt dan de andere. Hij is de volmaakte Mensenkenner en grijpt de mens aan in z'n konkrete geestelijke nood: „wij weten", gehechtheid aan het bezit, ziek-zijn, dronkenschap, etc.
Paulus doet dit ook. In Athene ontdekt hij dat de intellektuele fijnproevers van de Areopagus „een onbekende God" aanbidden. Deze adresloze aanbidding is er ook in onze tijd, vele mensen geloven nog wel in een „hogere macht", „iets dat boven je staat", enz. Paulus onderkent hierin de geestelijke nood van deze mensen. Hij grijpt hen hierin aan en verkondigt hun Jezus Christus.
Evenals Paulus, hebben wij de buitenstaanden te konfronteren met de komende Jezus, met Hem Die in aantocht is. Wie Hem nü verwerpt, zal op de jongste Dag om deze verwerping door Hem in het helse vuur geworpen worden.
God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend. Wie Christus afwijst, wie het verzoek „laat u met God verzoenen!" welbewust naast zich neerlegt, is reeds veroordeeld omdat „hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods".
Nog hoor ik wijlen ds. Verhagen op de le zendingsdag in cle Oosterkerk in Utrecht zeggen: „de zaak des Konings heeft haast".
Ja „haast", want de tijd is kort, zéér kort. De Heere Jezus heeft beloofd: „Ik kom spoedig".
En deze belofte vertraagt Hij niet, maar „is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekering komen". (2 Petr. 3 : 10).
Acht dan de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid!
*) prof. dr. J. H. Bavinck, „Alzo wies het Woord", 1960 pag. 28
2 ) „Daniël" ddo. 13 juli 1962.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1963
Daniel | 8 Pagina's