JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De noodzake iijki ïeia  van de ingang  door de enge poort

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De noodzake iijki ïeia van de ingang door de enge poort

4 minuten leestijd

„Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen." (Lucas 13 : 24)

(Vervblg)

Lezers, hoe noodzakelijk is ons de strijd om door de enge poort te mogen ingaan. Ja, hoe is het hier van toepassing: „haast en spoed u om uws levens wil." Immers, straks is de genadetijd ten einde en dan zullen velen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen, zoals we in onze tekst lezen. We lezen in vers 25, wat op onze tekst volgt: „Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot U zeggen: Ik ken u niet, vanwaar gij zijt."

Eens zal Christus als de Heer des huizes, aan Wie al het oordeel overgegeven is, de deur sluiten en dan zal zij nooit meer opengaan. Hij sluit en niemand opent.

Maar hoor, daar wordt op de deur geklopt: „Heere Heere, doe ons open". Ontzettend, zij komen te laat, de deur is gesloten. Te laat, en dan te laat voor de eeuwigheid, eeuwig te laat. Ontzaglijke gedachte!

Lezer, lezeres, wat zal het verschrikkelijk zijn, straks te staan onder degenen, die de deur gesloten vinden, die te laat zijn voor de eeuwigheid, die beginnen buiten te staan. Hoor, wat deze mensen zeggen (Alsdan zult gij beginnen te zeggen): „Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd".

Neen, deze mensen zijn geen opzettelijke huichelaars, maar zij hebben zichzelf misleid. Zij meenden in te gaan en zochten in te gaan, maar zij kunnen niet, omdat zij de ingang door de enge poort niet op de rechte wijze zochten. Lezers, laat ons onszelf onderzoeken en doorzoeken, of dat zelfbedrog van deze mensen ook niet in ons gevonden wordt, want anders zullen ook wij straks behoren bij degenen, die beginnen buiten te staan. Dat zelfbedrog is een verborgen kwaad. We lezen immers, dat zij begonnen te zeggen: „Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd". Let er op, nu, nu zij voor een gesloten deur staan, nu het te laat is, nu beginnen zij te zeggen, waarop zij hun hoop om in te gaan gebouwd hadden. Van tevoren in hun leven hadden zij dat nooit gezegd. Zij hadden het alleen maar gedacht, maar ze hadden nooit uitgesproken, dat ze meenden, dat het voor hen wel mee zou vallen.

Neen, ze zouden niet graag gezegd hebben, dat ze meenden ook te zullen ingaan, maar heimelijk hadden ze toch een grond en hoop gehad.

O lezers, de stil gekoesterde valse grond is zulk een gevaarlijk kussen om zich op neer te leggen.

Verder worden ons hier degenen, die zich aan dit zelfbedrog schuldig maakten, in twee trekken getekend. Allereerst, zij spreken in het meervoud. Ze zeggen immers: „Doe ons open. Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd". Merkt ge wel, zij spreken in het meervoud. Het is voor hen nooit een persoonlijke zaak geworden. Van de persoonlijke zielsonderhandelingen met de Heere weten deze zichzelf misleidenden niets. Zij zijn in dit leven nooit alleen tegenover God komen te staan. Zij spreken hier in gemeenschap: wij, ons. De tollenaar riep echter uit: „O God, wees mij, zondaar genadig", en de moordenaar aan het kruis bad: „Heere, gedenk mijner!"

Lezer, lezeres, is het voor u al een persoonlijke zaak geworden?

De tweede trek, waardoor deze zelfbedriegers gekenmerkt worden is deze, dat zij meer de heerlijkheid des hemels zochten dan de gemeenschap met de Heere. Zij waren hemelzoekers, maar geen Godzoekers. Het is hun nooit om God te doen geworden. Zij hebben nimmer God gemist, nooit de breuk beweend tussen God en hun ziel.

We lezen van hen, dat zij begonnen

buiten te staan. Buiten de genade Gods, buiten de verzoening met God, buiten de zaligheid, buiten de gemeenschap Gods.

Vreselijke zaak. In de weg der ontdekking wordt er hier in dit leven iets van geleerd, wat het wil zeggen, buiten God te staan. Maar dan voor eeuwig buiten te staan. „Zij begonnen buiten te staan". Een begin, waar nooit meer een einde op volgt! Lezer, lezeres, hoe staat het met U?

O, dat wij toch niet eenmaal zouden staan onder de velen, die zullen zoe-

ken in te gaan en niet zullen kunnen. Zij het onze bede: „Doorgrond mij, o God en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of er bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1963

Daniel | 8 Pagina's

De noodzake iijki ïeia  van de ingang  door de enge poort

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1963

Daniel | 8 Pagina's