Bijbellezen
Plet is de bedoeling van dit bijbelrooster niet, dat er gedeelten genoemd worden, die een leidraad geven bij de studie over het een of ander bijbels onderwerp, maar het is bedoeld om van dag tot dag iets aan te wijzen uit de rijkdom van de Heilige Schrift voor persoonlijk bijbelgebruik, voor de morgen een gedeelte en voor de avond.
Het is dus geenszins de bedoeling om een leidraad te geven voor de bijbellezing na het eten. Ieder doet dat op zijn eigen manier, en meestal gebeurt dat wel drie keren per dag, elke keer na de maaltijd. Een heel goede gewoonte. Bij dit bijbelrooster denken we aan hen, die niet thuis kunnen zijn bij de gezamenlijke maaltijd, dus ook niet bij het bijbellezen na het eten. Voor deze wordt er elke dag een niet te groot gedeelte aangewezen; daar zal hopelijk wel tijd voor zijn. Vervolgens hebben we het oog op de militairen en op de zieken, thuis en in het ziekenhuis. Die laatsten zullen toch de bijbel niet hebben vergeten? Nu kunnen we niet zomaar lukraak de bijbel openslaan en gaan lezen; dat kan wel, maar laat er enige orde in zijn. Er gaat niets buiten de voorzienigheid Gods en het zou groot zijn, als deze vingerwijzing in „Daniël" zó mocht worden bestuurd, dat het voor deze of gene tot zegen zou zijn. Het zou aangenaam zijn over dat laatste iets te vernemen in het vervolg. Het zou tot aanmoediging van anderen kunnen zijn.
Zondag 28 april Joh. 21 : 1-14 Ps. 119 : 33-48 Maandag 29 april Rom. 2 : 12-24 Spr. 3 : 1-20 Dinsdag 30 april Ps. 72 Rom. 13 : 1-10 Woensdag 1 mei Ps. 104 : 1—19 Ps. 104 : 20-35 Donderdag 2 mei Rom. 2 : 25—29 en 3 : 1-8, Spr. 3 : 21-35 Vrijdag 3 mei Rom. 3 : 9-20 Spr. 4 : 1-13 Zaterdag 4 mei Ps. 44 : 1—13 2 Kron. 32 : 16-23 Zondag 5 mei Ps. 21 2 Kron. 32 : 16-23 Maandag 6 mei Rom. 3 : 21-31 Spr. 4 : 14-27 Dinsdag 7 mei Rom. 4 : 1—12 Spr. 5 Woensdag 8 mei Rom. 4 : 13—25 Spr. 6 : 1-19 Donderdag 9 mei Rom. 5 : 1—11 Spr. 6 : 20-35 Vrijdag 10 mei Rom. 5 : 12-21 Spr. 7 Zaterdag 11 mei Matth. 10 : 1-15 Jesaja 12.
staan, en daarbij van Jezus te getuigen. „Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo? Weest dan gijlieden volmaakt" (Matth. 5).
God roept ons tot radikale zelfverloochening, tot verloochening van ónze behoeften. Lijkt ons leven vaak niet op het beeld, dat de heer Nijsse schetste van de nederlandse kerk der 18e en 19e eeuw:
„Men wilde rustig zitten in een vredig kerkje en slechts denken om het heil voor eigen ziel; men wilde mijmeren over God in een gebouw met gebrandschilderde ramen en onder hoge gewelven. Het denken aan de miljoenen die nooit van God hadden gehoord, zou de vredige rust maar verstoren; men had genoeg aan zichzelf te doen. De gedachte, dat mensen die nooit van Gods Woord hadden gehoord voor eeuwig verloren gingen, kwam zelden bij de kerkmensen op. Hoe zij tot het christendom waren gekomen daar werd niet eens bij stil gestaan" 2 ).
Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samariaü! Deze egoïstische gerustheid en zelfverzekerdheid zitten ons diep in 't bloed, omdat de liefde van Christus ons niet dringt.
Duizenden keren in Nederland aan Jezus de rug toe. En terwijl dit gebeurt, vraagt Hij ook aan ons: „wilt gij ook niet weggaan? " Wat is uw antwoord op Zijn vraag?
Heilig isolement.
Christus zegt van Zijn discipelen dat zij niet van de wereld zijn, zoals Hij niet van de wereld is. Betekent dit: zichzelf terugtrekken in het „onder ons", het zoeken van het isolement?
Nee, gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt, alzó heb Ik hen in de wereld gezonden. Met welk doel zijn ze de wereld ingezonden? Wel, om het evangelie te proklameren. En Christus bidt voor degenen „die door hun woord in Mij geloven zullen".
Zij mogen om Christus' wil het isolement niet zoeken, want dit is verraad aan hun roeping en opdracht. Dit zou de voortgang van het Koninkrijk versperren.
Juist omdat zij het isolement niet zoeken, worden zij er door anderen met geweld in gedrongen.
De Hoge Raad verbiedt hen over Jezus te spreken. Dit zou hen niet verboden zijn als zij over hun geestelijk leven gesproken hadden. Maar.. JEZUS is de rots der ergernis, Zijn Naam moet doodgezwegen worden. En dan antwoorden de discipelen: wij kunnen niet laten te spreken van hetgeen wij gezien en gehoord hebben", van kruis en opstanding dus. Is dit ook met ons het geval? Kunnen wij ook niet laten over Jezus te spreken met de buitenstaanden? De verstrooiden spraken in Antiochië tot de grieken „verkondigende de Heere Jezus". Deze verkondiging was gespeend van dogmatische formuleringen, want daarvoor was ze nog te vroeg, te veel opde-man af en te onberedeneerd. Niet het innerlijk leven, maar het kruis en de opstanding van Jezus Christus staan hierin centraal. En wie Hem door deze verkondiging als de opgestane Gekruisigde ontmoet, ontkomt niet aan een beslissing. Het is „weg met Hem!" óf „o God, wees mij zondaar genadig." Van tweeën één, een derde weg is er niet! Ons doorgeven van het evangelie moet vergezeld worden door het „bidt zonder ophouden." En met zachtmoedigheid onderwijzende hen die tegenstaan, of God hun te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid (2 Tim. 2 : 25).
Verschillende benadering
We moeten rekening houden met de geestelijke toestand van de buitenstaande.
Tot Nicodemus, met z'n „wij weten", zegt Jezus: „tenzij dat iemand wederomgeboren wordt, enz." Tot de, aan zijn goederen gehechte, rijke jongeling zegt Jezus: „verkoop alles wat ge hebt, kom dan herwaarts en volg Mij". Tot de zieken in Bethesda zegt Hij: „wilt gij gezond worden? " Op het loofhuttenfeest, in Zijn tijd in een lichtfeest met drinkpartijen ontaard, roept Hij: „Zo iemand dorst, clie kome tot Mij en drinke".
U ziet, dat de Heere Jezus de ene mens weer anders aanspreekt dan de andere. Hij is de volmaakte Mensenkenner en grijpt de mens aan in z'n konkrete geestelijke nood: „wij weten", gehechtheid aan het bezit, ziek-zijn, dronkenschap, etc.
Paulus doet dit ook. In Athene ontdekt hij dat de intellektuele fijnproevers van de Areopagus „een onbekende God" aanbidden. Deze adresloze aanbidding is er ook in onze tijd, vele mensen geloven nog wel in een „hogere macht", „iets dat boven je staat", enz. Paulus onderkent hierin de geestelijke nood van deze mensen. Hij grijpt hen hierin aan en verkondigt hun Jezus Christus.
Evenals Paulus, hebben wij de buitenstaanden te konfronteren met de komende Jezus, met Hem Die in aantocht is. Wie Hem nü verwerpt, zal op de jongste Dag om deze verwerping door Hem in het helse vuur geworpen worden.
God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend. Wie Christus afwijst, wie het verzoek „laat u met God verzoenen!" welbewust naast zich neerlegt, is reeds veroordeeld omdat „hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods".
Nog hoor ik wijlen ds. Verhagen op de le zendingsdag in cle Oosterkerk in Utrecht zeggen: „de zaak des Konings heeft haast".
Ja „haast", want de tijd is kort, zéér kort. De Heere Jezus heeft beloofd: „Ik kom spoedig".
En deze belofte vertraagt Hij niet, maar „is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekering komen". (2 Petr. 3 : 10).
Acht dan de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid!
*) prof. dr. J. H. Bavinck, „Alzo wies het Woord", 1960 pag. 28
2 ) „Daniël" ddo. 13 juli 1962.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1963
Daniel | 8 Pagina's