Belangstelling voor letteren, en levensinzicht.
Dr. Margaretha H. Schenkeveld: „Willem de Clercq en de Literatuur", J. B. Wolters' Uitgeversmij N.V., Groningen, 1962. 289 blz., ingen. f 17, 50.
In nummer 11 van de lopende jaargang van ons blad besprak ik de uitgave van het dagboek van de reis van Willem de Clercq per karos naar Sint-Petersburg in 1816. Het verheugt me biezonder dat ik na zo korte tijd alweer een publikatie in verband met deze beminnenswaardige figuur uit de Reveil-kring aan kan kondigen. Nu gaat het om een proefschrift, verdedigd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, en uitgegeven met de steun der Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek. Een boek dus voor de literatoren onder ons, niet een werk voor iedereen.
Het idee voor deze studie is nog van Professor Wille uitgegaan. Over het leven van De Clercq bestaat reeds lang een dissertatie, en over zijn belangstelling voor letterkunde en zijn hiermee bezig zijn is ook alreeds het een en ander opgemerkt. Afzonderlijk werd echter zijn relatie tot de letterkunde nog niet bestudeerd, zodat de schrijfster hier een dankbaar onderwerp gegeven werd. Een onderwerp ook waarvoor stof genoeg aanwezig was: De Clercq heeft veel geschreven, en het meeste is bewaard. Zo kon schrijfster putten uit zijn vele meer persoonlijke notities en lektuurverslagen, uit een ontzagwekkend aantal brieven van en aan De Clercq, uit zijn verschillende geschriften — zowel gedrukte als ook ongedrukte — en tenslotte uit de reeks van stukken die hij in periodieken heeft geplaatst. Waneer men weet hoeveel er van dit alles over is, zal men begrijpen dat de taak van schrijfster — ondanks de beperking die zij zich heeft opgelegd en die ook uit de titel van haar boek terstond is af te lezen — vrij omvangrijk was. Ik meen dat men haar dankbaar wezen mag dat zij daarvoor niet is teruggeschrikt.
De indeling kan schrijfster niet veel moeilijkheden opgeleverd hebben. De feiten doen die aan de hand. Tot omstreeks 1825 is het beeld van de belangstelling die door De Clercq voor letterkunde aan de dag gelegd wordt, eigenlijk gelijk aan dat wat men bij andere ontwikkelden van toen kan aantreffen. Later gaat hij steeds meer eigen wegen, daar zijn kijk op heel de wereld anders is geworden: er is dan veel waarvan hij niet meer kan genieten, omdat het naar zijn mening met het kristendom niet overeen te brengen is. Men zou, zo zei hij zelf, wanneer men alles uit een ander oogpunt in heeft leren zien, alles wat men vroeger las nu nog eens moeten overlezen. Terecht: het kristendom leidt onontkoombaar tot een herwaardering van de dingen! Voegt men daarbij dat hij juist op het einde van zijn eerste levensperiode zijn bekende studie over buitenlandse letterkunde en haar invloed op de Nederlandse schreef, dan is het zonneklaar hoe schrijfster haar materiaal voor deze studie in te delen had.
Na een goede algemene inleiding wordt in het eerste hoofdstuk stilgestaan bij enkele faktoren die tot vorming van De Clercq het hunne hebben bijgedragen, namelijk het onderwijs en de omgeving waarin hij verkeerde. In hoofdstuk II geeft schrijfster dan een overzicht van wat De Clercq tot 1822 over letterkunde opgetekend heeft in zijn „Mémoires". Hoofdstuk III bespreekt uitvoerig de „Verhandeling". En daarna komt de tweede periode in zijn leven, bezien in zijn betrekking tot de letterkunde, aan de beurt. In hoofdstuk IV schetst schrijfster de kontakten die De Clercq sinds 1822 heeft gehad met letterkundigen, terwijl het vijfde hoofdstuk ons een overzicht van zijn lektuur sinds 1822 geeft. Hoofdstuk VI beschrijft de ongedrukte en gedrukte literaire studies van zijn hand sinds 1822, terwijl tenslotte hoofdstuk VII met een samenvattende beoordeling van zijn verhouding tot de literaire kunst sinds 1822 komt. Hierop volgt dan nog een goede samenvatting in het Frans, als „Bijlage" een door De Clercq geschreven stuk over „de ware dichter", een lijst van bronnen en een lijst van werken die geraadpleegd zijn. De waarde van dit alles wordt voor de gebruiker door een vrij uitvoerig inhoudsoverzicht voorin het boek en een register van personen en van titels achterin verhoogd. Vooral in studies zoals deze met hun uitgebreide stof zijn inhoudsoverzichten en registers waardevol!
Wat de verwerking van de stof betreft, vooral bij die gedeelten die een samenvatting van lektuurverslagen geven, ligt de eentonigheid voortdurend op de loer. Dat schrijfster hiervan nooit het slachtoffer geworden is, kan men niet zeggen, maar voor de vakman zijn haar overzichten niettemin nog wel genietbare lektuur. Intussen is er tussen de betreffende gedeelten een zeer duidelijk verschil. Het tweede hoofdstuk — de lektuur tot 1822 — is gedeeltelijk een wel wat dorre opsomming, maar hoofdstuk V — de leesstof sedert 1822 — leest men meer geboeid. De hoofdstukken die de kontakten van De Clercq met anderen behandelen — dus I en IV — zijn zeer behoorlijk, terwijl de beide capita betreffende De Clercq's geschriften — III en VI — een keurig overzicht van deze studies geven en hun waarde onberispelijk bepalen. Op hoofdstuk VII echter — samenvattende beschouwing van De Clercq's verhouding tot de letteren sinds 1822 — heb ik wel het een en ander aan te merken. In zijn oordeel over kunst gaat sedert 1822 én het etische én het godsdienstige meer op de voorgrond treden. Een estetisch element — aldus de schrijfster — is er nog wel in, maar toch.... Het zou me lief geweest zijn als de schrijfster hierbij aangetekend had dat men het etische en het godsdienstige nooit scheiden moet van het estetische: zowel het etische als het godsdienstige dient in 't estetische te zijn begrepen! Terecht citeert zij van De Clercq (op blz. 233, in noot 7): „Wat is het rijk der schoonheid afgezonderd.... van het rijk der waarheid? " Ik heb de indruk dat de schrijfster zich maar moeilijk op het standpunt van De Clercq in later jaren kan verplaatsen, een standpunt dat mij juist opnieuw getroffen heeft. Hij kwam tot een zekere ascese in verband met de kuituur, zo stelt de schrijfster vast. En hierbij is er ongetwijfeld invloed in het spel geweest van Kohlbrügge, zeer grote invloed zelfs. Dus had het voor de hand gelegen dat de schrijfster Kohlbrügge in dit verband zelfstandig bestudeerd had. Maar ze heeft dit niet gedaan! Zelf zegt ze dat ze wat ze hierover te zeggen heeft alleen maar doorgeeft — als kennis uit de tweede hand dus. Wat bij een zo belangrijk punt toch niet verantwoord is. Schrijfster volgt in dezen blindelings de visie van twee dames die reeds eerder in bekende boeken over deze invloed spraken — Kluit en Te Lintum — alsof daarmee het laatste woord gesproken was. Dit tot haar eigen schade. Kohlbrügge heeft inderdaad een grote invloed op De Clercq gehad. Ook in het vierde hoofdstuk was dat al vermeld. Had schrijfster echter Kohlbrügge zelfstandig bestudeerd, dan was ze wellicht niet tot uitspraken gekomen als op bladzij 143, waar ze zegt dat voor hem in het centrum stond het „onbekwaam tot enig goed", ook van verloste kristenen, „met alle antinomistische consequenties" die daaraan verbonden zouden zijn (regel 3 van onderen). Er is verband tussen het feit dat schrijfster tot de kern van Kohlbrügge's gedachten niet is doorgedrongen, en de matheid van haar laatste hoofdstuk. Nalatigheden zoals deze wreken zich wel eens. Natuurlijk werkt hier ook aan mee dat schrijfster zich het standpunt van De Clercq in deze tijd niet in kan denken; het een hangt met het ander saam.
Kleine ongerechtigheden zijn er ook nog enkele. Op bladzij 1 (noot 4) noemt de schrijfster de verschillende edities van het indertijd door Pierson uitgegeven „Dagboek." Daarbij was het goed geweest te zeggen dat het „Dagboek" na de eerste uitgave is uitgebreid. Dan is er een citaat op bladzij 117 — de laatste regel — en op bladzij 118 — regel 1. In de „Verhandeling", aldus de schrijfster, zien we de Romantiek nog niet ten voeten uit, maar toch heeft schrijver haar herhaaldelijk gegrepen bij „haar langswaaienden zoom." Het lijkt mij wenselijk in zo'n geval er bij te zeggen waar men zo'n citaat vandaan heeft. Niet ieder kent Bloem's „Euthanasia" (waartegen men als kristen zijn bezwaren hebben moet). Herhalingen — in tekst en noten •— hadden wel vermeden kunnen zijn. Een stijlfout treft men aan op bladzij 163 (in noot 3), waar tweemaal „met" staat, maar ten onrechte.
De korrektie is vrij goed geschied. Alleen staan er op bladzij 18 nog twee fouten bij elkaar: regel 4 van onderen: „zoais" moet zijn „zoals", en regel 3 van onderen: „18119" moet uiteraard gewoon zijn „1819". Op bladzij 167, regel 15, moet men „er" in „et" veranderen, terwijl op bladzij 191, in regel 4 van onderen, niet „te", maar „ter" moet staan. Het laatste woord van de „Sommaire" — bladzij 247, laatste regel — mist een u. En zo is er nog het een en ander (b.v. in noot 1 op bladzij 181, en op bladzij 224 in noot 2).
De uitgever heeft deze studie keurig uitgegeven. Een kleine
typografische onregelmatigheid mag echter wel gekonstateerd worden. Men vergelijke daartoe bladzij 192 en 193: de verdeling van het aantal regels over beide bladspiegels is ongelijk.
Tenslotte dus: een lezenswaardig boek. Meeleven met De Clercq is altijd een belevenis. De vakman late daartoe de gelegenheid zich niet ontgaan!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1963
Daniel | 8 Pagina's