Een nieuw kerkgebouw - Gesprek met de nabob
Al meer en meer werd de behoefte gevoeld een kerkgebouw te bezitten te Trichinopoli. In de barakken van cle soldaten kon men de schare niet bergen en de plaats om godsdienstoefening te houden was daar toch ook niet zo biezonder toe geschikt. De commandant van het leger was er sterk voor en Schwartz niet minder. De vurige wens werd in daden omgezet en in korte tijd had men ƒ 3600 op lijsten bijeen gebracht. De nabob wou wel bouwterrein afstaan, maar dan moest het buiten de vesting zijn. Dat was weer niet naar de zin van de commandant, zodat er nogal wat geharrewar ontstond. Het loopt altijd niet op rolletjes en voordat iedereen bevredigd is, moeten er in de regel wat woorden gewisseld worden. Tenslotte gaf de nabob toe. Maar nu zat Schwartz weer met een moeilijkheid. De som geld die ingezameld was, zou men ter beschikking stellen, als Schwartz de leider zou blijven. Deze durfde niet zo lang uit Tranquebar weg blijven, want hij stond in dienst van de deense koning. Eerst moest dus weer overleg gepleegd met de autoriteiten in Tranquebar. Gelukkig liepen de besprekingen nogal vlot en voorlopig kon de zendeling in Trichinopoli blijven. Wat was men verheugd.
De 13e maart van het jaar 1765 werd de eerste steen gelegd, maar langer dan een jaar duurde de bouw. Pas op de eerste Pinksterdag van het volgende jaar (18 mei 1766) kon het kerkgebouw in gebruik worden genomen.
Het werd een blijde dag. Schwartz sprak over psalm 84: „Hoe liefelijk zijn uw woningen, o Heere der heirscharen! Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Zelfs vindt de mus een huis en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij uw altaren, Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God!"
Nu had de gemeente een middelpunt van samenkomst en langzamerhand kwamen al meer mensen naar de bijeenkomsten. Geregeld konden nieuwe namen ingeschreven worden, namen van heidenen en zelfs van roomsen. Mohammedanen kwamen maar zelden tot de gemeente over en van de zijde van het hof was weinig belangstelling.
Schwartz kon zelf ook moeilijk naar het hof gaan, want de nabob en zijn beambten verstonden geen engels en ook geen tamoelisch. Geregeld moest hij zich dan van een tolk bedienen. Een diepgaand godsdienstig gesprek stuitte daardoor op grote moeilijkheden. Eigenlijk zou Schwartz hindoestans moeten spreken, maar zachtjesaan was de zendeling het talen leren moe geworden. En toch liet het hem geen rust. Voortdurend dacht hij er aan en kon het niet kwijt raken.
Na verloop van tijd zocht hij een tolk op, clie 's avonds werd ontboden om de zendeling het hindoestans te leren. Het was geen kleinigheid voor de zendeling. Na een zware dagtaak zat hij tot diep in de nacht met de tolk te leren. Wat een moed en wat een doorzettingsvermogen!
Eenmaal aan het leren van die vreemde taal begonnen, was het of de geest over Schwartz weer vaardig werd. Zoals hij in zeer korte tijd engels en portugees had kunnen leren, zo gemakkelijk ging het voor hem om het hindoestans zich eigen te maken. Na enkele maanden kon hij zich al in clie taal uitdrukken.
Dat was de nabob ter ore gekomen en hij verblijdde zich hierover. Op zekere dag kwam cle nabob de zendeling tegen. Nu zou hij zich eens overtuigen of het waarheid was, clat Schwartz het hindoestans bestudeerde. In die taal begroette de nabob de zendeling, en deze antwoordde in cle pas geleerde taal. Je kon merken clat het de nabob goed deed. Eerst ging het over alledaagse dingen, maar Schwartz gaf het gesprek al gauw een andere wending. Hij poogde aan alle wateren te zaaien. Dat was immers zijn roeping! Met ernst sprak Schwartz over de verschrikkelijke zondeval, waardoor het aardrijk onder de vloek is gekomen en cle mens het beeld van zijn Schepper is verloren. Door die snode afval van God, onze Maker, zijn we allerhande ellende onderworpen geworden, ja cle verdoemenis.
De nabob luisterde met grote aandacht. De zendeling ging verder en sprak nu ook van de belofte van het vrouwenzaad, dat de slang de kop zou vermorzelen; van een Weg, waardoor ontkoming mogelijk is. Dat grote heil kan Christus geven, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
De nabob zei geen woord, maar bleef lange tijd nadenkend staan. Toen groette hij vriendelijk en ging zijns weegs.
Wat zou er in de nabob zijn omgegaan? Dat wist Schwartz niet, maar toen hij naar huis ging en het nieuwe kerkgebouw voorbij moest, kwamen deze woorden in zijn hart: „Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof."
Toen vouwde hij zijn handen en fluisterde: „Ja, Gij hebt overwonnen, Heere Jezus, en zult overwinnen, totdat alle knie zich voor U zal buigen en alle tong U zal belijden. Alle heidenen zullen bekennen dat Gij alleen de Heere zijt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1963
Daniel | 8 Pagina's