Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een praatje vooraf
De vorige keer hebben jullie tevergeefs in „Daniël" naar onze bekende bladzijde gezocht. Ik had die week geen tijd om onze pagina klaar te maken. Ik denk, dat dat de eerstvolgende maanden nog wel eens het geval zal zijn; zoveel mogelijk echter zal ik proberen onze bladzijde te vullen, want ik begrijp, dat jullie er naar uit zien. Onze vriend Wim Boone is nog steeds niet uitverteld. Zijn jullie ook zo benieuwd hoe het met de Beauvoisins zal aflopen?
Uit het leven en lijden der Waldenzen (IV)
Terwijl Pierre daar in zijn stille huis zit te peinzen wordt de stilte ruw verbroken door krijgsgeschreeuw in de straten van het dorp. Overal knetteren de vloeken en verwensingen in 't rond. De Waldenzen gaan zich zoveel mogelijk bewapenen; maar als ze aan de rand van het meer komen zien ze de grote overmacht; hiertegen kunnen ze zich niet verzetten. Met de soldaten zijn priesters en monniken mee gekomen, die de Waldenzen tot inkeer moeten brengen. De aanvoerder roept de Waldenzen toe, dat ze op een bepaald uur op de markt moeten verschijnen. Daar kunnen ze hun godsdienst afzweren en tot de roomse moederkerk overgaan. Op het bepaalde uur verschijnen ze op de markt. Ook Pierre is er naar toe gekomen omdat hij dat wel moet voor eigen bestwil, want als hij thuis zal blijven zal hij direct ter dood worden gebracht. Als Pierre daar een poosje naar de overmacht heeft staan kijken, herkent hij tussen de soldaten graaf Raymond, onder wiens bevel hij in de oorlog had gestreden. Hij was altijd een goed heer voor zijn ondergeschikten geweest. Daar wordt Pierre zijn naam afgeroepen. Hij treedt naar voren. Eén van de priesters ondervraagt hem en één schrijft de vragen en antwoorden op.
„Hoe is uw naam? "
„Pierre de Beauvoisin."
„Zijt gij getrouwd? "
„Ja, ik heb vrouw en kinderen, mijnheer."
„Waarom noemt gij mij mijnheer, ge weet toch dat men ons vader noemt? "
„Jawel, dat weet ik; maar Gods V/oord zegt: Gij zult niemand uw vader noemen op aarde. Eén is uw vader, namelijk God. Daar wens ik mij aan te houden."
„Wilt u uw ketterse leer vaarwel zeggen om in de schoot der moederkerk te worden opgenomen? In de heilige moederkerk vindt men rust, vrede en overvloed. Ketters zijn ten dode opgeschreven." Pierre is echter niet om te praten. „Als ge mij dat bewijzen kunt uit Gods Woord, dan wil ik alles herroepen."
„Man, denk er om, deze woorden zijn reeds die van een ketter." Nog geruime tijd wordt er gesproken en van beide kanten geven ze elkaar niets toe. Dan zegt de priester: „Pierre de Beauvoisin, blijft ge hardnekkig en wilt ge uw leer niet afzweren, dan zullen wij ook niet terugdeinzen. Mannen, leidt deze hardnekkige weg!"
Zo komen de bewoners één voor één aan de beurt. Twee kunnen niet standvastig in God, hun helper en verlosser, blijven geloven en keren terug naar de roomse leer. De priester zegt nu tot graaf Raymond: „Mijn taak is afgedaan, nu is het uw taak verder doortastend op te treden." De graaf zegt: „Vader Johannes, zijn deze mannen werkelijk ten dode opgeschreven, kunnen ze door ander onderwijs ook niet voor onze kerk worden gewonnen." De oude priester overlegt dit met de andere priesters en er wordt besloten de mannen de vrijheid terug te geven, op verzoek dus van graaf Raymond en zij die willen vluchten te laten vluchten en de anderen te onderwijzen. Maar of de priesters dit in hun binnenste goed vinden....?
(Wordt vervolgd)
In de lijdensweken, waarin we nu leven, is het volgende gedicht zeker op z'n plaats.
De zeven kruiswoorden
Als men Jezus' heilige handen Aan d' onheilige kruispaal sloeg, Was het heerlijk om 't aanschouwen Hoe Hij smaad en smart verdroeg.
Bij het klinken van de hamer, Die Hem hand en voet deed bloên, Bad Hij: „Vader, o vergeef 't hun, Die niet weten wat ze doen!"
Als de nevens Hem gekruiste, Aan Zijn onschuld hulde deed,
Vond hij Hem, hoe afgemarteld, Nog tot liefd' en troost gereed. Ja, die bede vond genade:
„Heer', gedenk hierna aan mij!" „Heden zult gij, " sprak de Heiland, , , 't Paradijs zien aan Mijn zij."
Als de Heiland aan het kruishout Tussen aard' en hemel hing, Zag Hij nog Zijn lieve Moeder En Zijn liefste volgeling.
„Vrouwe, " sprak Hij, „zie uw zone!" Daar Hij 't oog op deze sloeg. Toen, tot deze: „Zie uw moeder!" 't Was voor haar en hem genoeg.
Als de duisternis de heuvel, Met een dikke mist omtoog, Die de mond der spotters snoerde En hun hart met schrik bewoog.
Toen, in 't uiterst der benauwdheid, Met een schrikkelijk geluid, Riep de Heer' het: „Eli, Eli, Lama sabachtani!" uit.
Als des Heilands eind genaakte En het scheidend levenslicht Nog de laatste flikk'ring spreidde Voor Zijn half geblust gezicht, Sprak Hij voor de vijfde male, Uitte Zijn verschroeide borst,
D' eerste klachte tot Zijn beulen In het deerniswaard: „Mij dorst!"
Toen was 't ogenblik op handen, dat een eind maakt' aan Zijn lot; 't Ogenblik dat aard' en hemel, zou verzoenen ons met God.
Als de profetie vervuld was en het vlek'loos Lam geslacht: Jezus riep met grote stemme 't mensenreddend: , , 't Is volbracht!"
Nog één woord klinkt van Zijn lippen, eer Zijn hoofd ter neder zijgt, Eer Zijn afgesloofde boezem van de bange doodssnik hijgt;
„Vader, " roept Hij, „in Uw handen geef Ik over Mijne geest!"
Daarop stierf Hij; smart en lijden, dood en doodsangst was geweest.
Nicolaas Beets.
Dit gedicht, dat ook mooi gezongen kan worden, werd me toegestuurd door Mien Slabbekoorn uit Wolphaartsdijk. Bedankt Mien, stuur je me weer eens wat?
En weer tien vragen
81. In één der Psalmen zegt de dichter: Hoe lief heb ik Uw.. 82. Zijn niet Efraïms nalezingen beter dan de wijnoogst van (Richt.) 83. Paulus en Barnabas hebben ook meegenomen naar Jeruzalem, (zie één van de eerste 4 brieven van Paulus). 84. De priester Abjathar bracht de tot David. 85. Toen kwam Amelek en streed tegen Israël in.... 86. Hoe heette de jongen (knecht) van Gideon? 87. Hoe heette de koning van Basan? 88. Jesaja zegt: Om onze is Hij verbrijzeld. 89. Wie regeerde er na Salomo over Israël? 90. Welke richter stond er na Gideon en Abimelech op om Israël te behouden?
De beginletters van de antwoorden vormen de naam van één van de toegangen naar Jeruzalem.
Jullie hebben nu weer dertig vragen, maar jullie moeten ze nog niet uitzenden. Er komen er nu nog tien in deze serie; dus de volgende keer krijg ik dan de laatste 40 antwoorden. Ik heb dan volop gelegenheid de prijswinnaars op te zoeken. Allemaal mee blijven doen hoor. Van de 62 die de eerste dertig antwoorden inzonden zijn er al 13 die de tweede dertig niet instuurden. Dat vind ik erg jammer. Alle lezers en lezeressen de hartelijke groeten en tot over veertien dagen D.V.
C. de Bode — Dirksland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1963
Daniel | 8 Pagina's