Woord en wereld
4.
Hoe kom ik tot het geloof?
Er zijn helaas jongeren (en ouderen), die met een onbewogen gemoed durven te zeggen: „ik ben onbekeerd en God zal je het geloof moeten geven." En al is het zeker waar, dat het ware geloof een gave van God is, toch blijft onze verantwoordelijkheid.
De Schrift zegt immers: „Bekeert u en gelooft het Evangelie"; „die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden"; „en dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus"; „wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft het getuigenis dat God getuigd heeft van Zijn Zoon".
Lezer(es), het staat m.a.w. niet aan u en mij om uit te maken of we al dan niet in Jezus Christus geloven zullen. Nee, de Vader gebiedt en beveelt ons dit. We maken Hem tot een leugenaar als wij ons aan dit gebod en bevel onttrekken, met allerlei „vrome" verontschuldigingen.
Weet u wat de diepste kern van deze verontschuldigingen is? Wel, „het is mijn eer te na, dat iemand voor mijn schuld zou boeten, ik wens te staan voor de gevolgen van mijn eigen daden!" Deze goddeloze hoogmoed, deze zelfhandhaving zit ons diep in 't bloed.
En toch roept de Heere ons — o, wonder! om mèt deze hoogmoedige zelfhandhaving tot Hem te komen. Want Hij roept niet rechtvaardigen, maar goddelozen tot bekering.
Er zijn — God zij dank! — ook jongeren, die worstelen om een antwoord op hun, vaak benauwende, levensvraag: „hoe kom ik tot bekering? "
Nu mogen zij één ding nooit vergeten: we moeten God wel vragen of Hij ons bekeren wil, maar niet „hoe" Hij dit wil doen. Wij hebben Hem niet een bepaalde bekeringsweg voor te schrijven of te dikteren! Alleen „wie Hem need'rig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leren".
En Erskine zegt, verlicht door de H. Geest:
„Het ongeloof en de vleeschelijke rede zijn gereed om te besluiten, omdat God door zijnen Geest alles werken moet, dat wij daarom stil te zitten hebben, en niets moeten doen; maar de Geest Gods, wiens redenering ik mij verzeker oneindig beter te wezen, die redeneert op eene geheel andere wijze, Phil. II : 12, 13, Wercket uwes selfs saligheit met vreese ende beeven: ant het is Godt, die in u werckt beide het willen ende het wercken, nae (sijn) welbehagen.
O! wat eene heerlijke aanmoediging is hier niet voor een arm onmagtig zondaar, om het geloof te ondernemen. Hier is een arm van almagtigheid, die zich uitstrekt tot uwe hulp, en om u door te brengen in het werk, daar Hij u toe roept. Wordt dan opgewekt en werkzaam: ant uw God heeft uwe sterkte geboden, laat Hem dan de heerlijckheid uwer sterckte zijn, Ps. LXXXIX : 18.
Het is Gods gewone weg, om met de arme ziel zamen te spannen, en om haar bekwaam te maken om te kunnen gelooven, wanneer zij, in gehoorzaamheid aan zijn bevel, het geloof in Christus betrachtende is. Even gelijk een goedertieren schoolmeester, wanneer het kind, in gehoorzaamheid aan hem, de pen in de hand neemt, en op de beste wijze als het kan aan het schribbelen gaat, des kinds hand vat, dezelve leidt en bestuurt en het zoo leert schrijven. Even zoo, wanneer wij, als het ware, de pen in de hand nemen, en op bevel het schrijven ondernemen, zoo neemt Hij onze hand in de zijne, ons besturende, versterkende en bekwaam makende, om te gelooven. Zoodat, wanneer er maar een gewillig hart is tot dit werk, zulks aangenaam gerekend wordt. Alwaar Hij het willen geeft, daar geeft Hij ook het werken, naar zijn welbehagen; die twee zijn in de orde van Gods verbond onafscheidelijk aan elkander verbonden.
Schoon God niet verbonden is, om met de pogingen van de natuur zamen te spannen, zoodanig is nogtans zijne genade, liefde en goedwilligheid jegens den mensch op aarde, zoodanig is de kracht van zijne begeerte naar onze zaligheid, zulk een welbehagen heeft Hij in het gelooven van eenen zondaar, zulk eene achting heeft Hij voor hetgene, dat Hij zelf geboden heeft, dat wij menigmaal bevinden, dat Hij dadelijk den armen hulpeloozen zondaar, in zijne onmagtige pogingen naar de gehoorzaamheid, dewelke Hij van hem vordert, te hulp komt.
Laat ons dan in gehoorzaamheid aan Gods bevel, en in afhanging van zijne almagtige kracht, gelooven, zoo goed als wij kunnen; en wanneer wij zulks doen, schoon de daad in het eerst maar natuurlijk is, nochtans komt de beloofde en de verworvene gena-
de zelve in het oefenen daarvan, en maakt die tot eene bovennatuurlijke daad des geloofs; gelijk toen, wanneer Christus dat beroemde wonderwerk verrigten zoude te Cana in Galilea, zoo veranderde Hij niet eerst het water in wijn, maar gebood het water uit te gieten, en in het uitgieten daarvan werd hetzelve in wijn veranderd. Zoo werden ook de brooden vermenigvuldigd, terwijl de discipelen, in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, dezelve uitdeelden aan de menigte; even zoo is het ook hier, terwijl de arme ziel in eene ondergeschiktheid aan de Goddelijke kracht, en in gehoorzaamheid aan Gods bevel, het geloof onderneemt, zoo komt de God aller genade die poging veranderen in een waar en opregt geloof, zoodat de ziel door de almagtige kracht Gods, eer zij het weet, gebragt wordt om waarlijk te gelooven, op eene wijze, die zij niet begrijpen kan hoe, want De wint blaest waer henen hij wil, ende gij hoort sijn geluit, maar gij en weet niet van waer hij komt, ende waer hij henen gaet: lsoo is een iegeljjck, die uit den Geest geboren is, Joh. III : 8" 1 ).
Onze omgang met de Schrift
Volgens Calvijn „verschaft Gods Woord ons de toegang tot zijn hemels Koninkrijk". En op de vraag, hoe we dit moeten gebruiken om er nut van te hebben, antwoordt hij: „Door het Woord te aanvaarden, met volle verzekerdheid van ons gemoed, als de waarheid, die van de hemel is gekomen, ons er aan te onderwerpen in volle gehoorzaamheid, het van harte lief te hebben en in ons hart geschreven te hebben om het geheel te volgen en ons er naar te hervormen".
Op de vraag, of dit alles in onze macht staat, antwoordt hij: „in het geheel niet. Maar God werkt het in ons door Zijn Heilige Geest".
De Heilige Geest gebruikt de Schrift als Zijn (enig) instrument. Daarom spreekt Calvijn met diepe eerbied voor de Schrift.
Van nature hebben wij geen eerbied voor de Schrift, ondanks de schijn van het tegendeel! Want „eerbied" betekent in dit verband: het Woord horen én het doen.
Jezus vergelijkt hem, die Zijn Woord hoort en niet doet, met een mens, die een huis bouwt „op de aarde zonder fundament". Hij noemt zo'n mens een dwaze bouwer (Luc. 6 : 47). Als wij ons met de Schrift bezig houden, dan mogen we wel bedenken dat de Heilige God Zichzelf hierdoor met ons bezig houdt! Daarom is het dringend nodig, dat er op de J.V.s meer aan Bijbelstudie gedaan wordt. En dit is zeer zeker nodig om hen, die buiten zijn, te kunnen bewegen tot het geloof in Jezus!
In sommige plaatsen zijn er al J.V.'s die Bijbelkringen hebben opgericht of hiermee bezig zijn. Deze kringen komen op een door de weekse avond bijeen ten huize van een verenigingslid. Dan kan men in kleiner verband het Woord Gods onderzoeken 2 ).
Maar.... dit kan toch overal gebeuren! Wie neemt het initiatief?
Met 3 a 5 mensen hebt u al een kring. U leert eikaars persoonlijke zorgen en nood zo ook beter kennen. Of.. . . hebt u geen tijd voor de Bijbel?
Bovenstaande geldt niet alleen voor jongeren, maar ook voor ouderen. Met name in de grotere gemeenten leven de leden zo gemakkelijk aan elkaar (én hun gééstelijke nood) voorbij!
Waarom richt u dan niet met enkele ouderen in dezelfde buurt of straat een Bijbelkring op? Of is uw Bijbel soms alleen goed voor de zondag?
Wie neemt het initiatief? U? Of moet uw buurman het maar weer opknappen? Of. ... hebt u misschien geen tijd voor het Koninkrijk Gods? ?
Zo'n kring behoeft echt niet een bestuur te hebben; dat is tijdsverspilling en bovendien onnodig.
Het gaat om Bijbelstudie, en die is beslist noodzakelijk „opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk (buitenstaande) moet antwoorden" (Coll. 4:6).
Ook onze persoonlijke omgang met de Schrift laat vaak veel te wensen over. De krant lezen we wel voor onszelf,
maar de Bijbel niet. Waarom eigenlijk niet? ?
Het is geen overbodige luxe om, in deze jachtige tijd, 10 a 15 minuten per dag even apart te gaan zitten en dan voor onszelf een stukje uit de Bijbel te lezen. En ons dan biddend af te vragen wat God óns met dit stukje te zeggen heeft; kortom, hiermee in gebed voor Zijn aangezicht werkzaam te zijn.
Dit alles heeft niets te maken met „vroomheid", dit is een normale omgang met de Schrift. Het is méér dan schandalig, als het in uw persoonlijke leven anders zou zijn.
Waar deze omgang ontbreekt, is de toestand bepaald abnormaal. Terug naar de Schrift!! En zo wil de Heere, naar Zijn belofte, ons schenken al wat ons ontbreekt. Met Zijn Woord en door Zijn Geest werkt en versterkt Hij het geloof. En dit geloof „is een zekere en vaste kennis van de liefde Gods jegens ons, zoals Hij door Zijn Evangelie verklaart onze Vader en Redder te zijn in Jezus Christus" (Calvijn).
J-J-B.
E. Erskine: „De verzekering des geloofs" z.j. pag. 147 e.v.
-') Een goede handleiding voor Bijbelstudie is het boekje „Gij zult Mijn getuigen zijn" (10 bijbelstudies over het boek Handelingen). Verkrijgbaar bij het R.R.Q.R. Publicatiebur., Postbus 109, Zeist tegen betaling van f 2.75.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1963
Daniel | 8 Pagina's