Woord en wereld
(3).
Woord en Geedt
De Heilige Geest spreekt tot ons door het Woord Gods. Het is Zijn Woord en daarom alléén „is het Woord Gods levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard " (Hebr. 4 : 12).
Daarom moest Stefanus, toen de Joden zijn prediking (het woord Gods) verwierpen, zeggen: „gij wederstaat altijd de Heilige Geest, gelijk uw vaderen alzó ook gij". De Heilige Geest wil ons hart openen, zodat we Zijn stem in het Woord horen.
Maar.... hunkeren wij van nature niet naar een alles overstelpend gevoel of iets anders, zónder het Woord? Is het voor ons niet een dode letter geworden? Hier volgt een voorbeeld:
„In mijn tweede gemeente was indertijd een vrouw, die naar eigen overtuiging in een bekommerde toestand leefde. De ver-
kondiging van het Evangelie, van de vergeving der zonden in Christus, wees zij echter met beslistheid af. Ik zal het nooit geloven, zo zeide zij, dat God mij mijne zonden vergeeft, tenzij ik het als een donderslag van de hemel krijg te horen. Toen heb ik haar gewaarschuwd, dat zij deze donderslag misschien nooit te horen zou krijgen. Want we mogen God niet verzoeken. En toch sprak in deze dwalende gedachte en eis zich de behoefte uit om het uit Gods eigen mond te horen, dat Hij de zonden vergeeft.
Daarom wees ik op het Evangelie, waarin God zelf tot ons komt, niet als in een donderslag of aardbeving, maar als in het ruisen van een zachte stilte. Dat zij buiten het Evangelie om een krachtige stern van de hemel wilde horen, dat was haar zonde en dwaling. Dat zij het uit Gods mond wilde vernemen, dat was juist en goed; dat vertolkt de behoefte en begeerte, die in ieder woont, die God aanloopt om de vergeving zijner zonden. Daarom zingen we menigmaal van harte: Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar Woord; ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.
Er zou ook geen waarachtige zekerheid in ons hart kunnen wonen aangaande de vergeving onzer schuld, als we dat niet konden zeggen. Daarom is het gans noodzakelijk, dat we een oog krijgen voor het werk des H. Geestes in de verkondiging van het Evangelie. Want de boodschap des Evangelies is niet een boodschap die op zichzelf staat". 1 )
Geest en belofte
De Heid. Cat. zegt dat: „volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus wil, vergeven zijn."
Onze zonden zijn m.a.w. door God vergeven, zo dikwijls als wij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen.
Alleen in déze weg wil God ons onze zonden vergeven, alléén als wij cle beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen.
De H. Geest leert ons in het Evangelie en verzekert ons door de sacramenten (Doop en Avondmaal) dat onze volkomen zaligheid in de enige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is (Heid. Cat.)
„Indien gij nooit tot God nadert in de verzekerdheid des geloofs, tot dat gij tot ene gevoelige verzekering van uw aandeel aan Christus geraakt, en dat gij in den staat der genade zijt, dan zult gij nooit van al uw leven tot Hem naderen. De reden hiervan is, omdat eene gevoelige verzekering van aandeel aan Christus de vrucht of het gevolg is van het toegaan der ziel door het geloof; nu kan het gewrocht nooit gaan vóór de oorzaak. De weg om tot verzekering van den staat der genade te komen, is, om toe te gaan met verzekerdheid des geloofs, gegrond zijnde niet op eenig werk der genade binnen in u, maar op Gods genadige belofte in zijn woord, en op het middelaarschap van den grooten Hoogcpriester over het huis Gods. Hebr. IV : 14, 16, Dewijle wij dan eenen grooten Hoojepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, (namelijck) Jesum, den Sone Godts, laet ons dan met vrijmoedigheit toegaen tot den troon der genade, enz. Het geloof gelijk ik daar even zeide) zoekt steeds eenen grond van vrijmoedigheid, niet in de ontvangene genade, of in iets, dat in den mensen is, maar alleen in Christus en in de genadige belofte van aangenaam te zullen worden in Hem; en daarom zoo is de beste weg, om over al die twijfelingen, vreezen en beangstigingen omtrent uwen genadestaat te komen, door eene regtuit gaande daad des geloofs tot God te gaan, langs den verschen en levenden weg, uwe eigene ziel verzekerende, dat een God der genade en der liefde het verlaten haat. Die in de duisternissen wandelt, ende geen licht en heeft, wat weg zal zulk een inslaan? Dat hij beirouwe op den name des Heeren,
Door den naam des Heeren hebben wij hier te verstaan de genade en goedertierenheid, die magt en getrouwigheid van God, welke in de beloften van het verbond verbonden zijn; hier hebben wij ons anker uit te werpen; daarop hebben wij onze vrijmoedigheid en verzekering des geloofs te bouwen, v/anneer wij niets hebben in ons zeiven, om op te vertrouwen of naar om te zien Op dezen naam des Heeren maakt het geloof zich vast, zoo wel in zijne eerste daad, als in zijne volgende werkzaamheden. Wanneer het eerst de ziel uitleidt uit de duisternis van eenen natuurlijken staat, en wanneer het naderhand dcor vernieuwde daden de ziel uitleidt van onder de donkere en zwarte wolken van verlatingen, verzoekingen en moedeloosheid, zoo vertrouwt het steeds op den naam des Heeren, gelijk die naam in Christus is, en voorgesteld wordt in het verbond der genade, en inzonderheid in de absolute beloften van hetzelve" - ).
Jakob worstelde met God en in die weg kreeg hij van Hem een nieuwe naam. Jezus zegt tot de vader van de bezeten knaap: „zo gij kunt geloven; alle dingen zijn mogelijk voor degene die gelooft."
En de hemelse Vader zal cle Heilige Geest geven aan hen, die Hem bidden (Luc. 11 : 13). Op cle Pinksterdag zegt Petrus: bekeert u. ... en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe...."
We mogen niet aan Christus voorbijgaan en toch bidden om de H. Geest. Want de Geest is de Geest van Christus en Hij wordt buiten Christus en het geloof in Hem niet ontvangen.
Alle speuren, of de Geest zaligmakend in ons werkt om dan daarin te rusten en daarop zijn hoop te bouwen en Christus te laten voor wat Hij is, is niet dan een goddeloze weg. De vroomheid die daaruit geboren wordt, zegt Calvijn, is de vroomheid van ons vlees. Altijd proberen wij buiten de overgave van onszelf aan Christus, houvast te krijgen aan het werk des Geestes.
Op cle vraag: „hoe staat het clan met hen, clie twijfelen, en niet weten of God hen hoort of niet? " antwoordt Calvijn: „Hun gebeden zijn volkomen ijdel, omdat zij op geen enkele belofte steunen. Want er is ons gezegd, dat wij in het geloof moeten bidden en clat het ons clan gegeven zal worden" 3 ).
„ik hoop in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar Woord".
J-J. B.
') ds J. G. Woeiderink „Van den Heiligen Geest en van Zijn werk" z.j. p. 79;
2 ) E. Erskine „De verzekering des geloofs" z.j. p. 144;
ö) J. Calvijn „Catechismus van Genève" vr. 249.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1963
Daniel | 8 Pagina's