Het Landelijk Verband
van Jongelingsverenigingen cler Gereform. Gemeenten te Utrecht in 27e jaarvergadering bijeen.
De talrijke bezoekers en bezoeksters van deze jaarvergadering van het Landelijk Verband van Jongelingsverenigingen der Gereformeerde Gemeenten zullen het ongetwijfeld met elkaar eens zijn, dat het een zeer geslaagde dag mag heten.
Het feit, dat deze vergadering voor de eerste maal op zaterdag werd gehouden, heeft er zeker aan meegewerkt dat de belangstelling zo groot was. Al met al is het een dag geworden waaraan de bezoekers een blijvende en aangename herinnering zullen hebben.
De huishoudelijke vergadering
Zoals altijd werd op de avond, voorafgaande aan de jaarvergadering de huishoudelijke vergadering gehouden met de afgevaardigden der verenigingen.
Deze vergadering werd door ds. H. Rijksen, voorzitter van het L.V. om half zeven geopend. Bij de aanvang van deze vergadering werd Ps. 25 : 2 gezongen.
De voorz. leest 1 Tim. 6 vanaf vers 11, gaat voor in gebed en spreekt een kort welkomstwoord.
In dit verslag worden uiteraard slechts de belangrijkste punten aangestipt.
Alleereerst een rapport dat door Jaap Driessen wordt uitgebracht namens de commissie voor een te stichten jeugdcentrum.
Gesprekken met predikanten, kerkeraden en besturen van verenigingen hebben duidelijk gemaakt, dat men er heel niet voor is. Wel zijn evengoed verschillende mogelijkheden onderzocht, maar ook de exploitatie is zeer moeilijk.
Ook cle z.g.n. weekends komen hier ter sprake. Daarover is nogal wat deining, maar nog veel meer misverstand en verkeerde uitleg. Dat is natuurlijk erg jammer omdat de zaken nu kennelijk verward worden en men bij de beoordeling van weekends, door de verenigingen onderling georganiseerd, doet voorkomen alsof de zondag ontheiligd wordt, wat allerminst het geval is.
Hoewel wij er eerlijk voor uitkomen al die bezwaren niet volledig te kunnen onderstrepen, willen wij anderzijds de bezwaren van hen, die over ons zijn gesteld, eerbiedigen.
Er wordt een weg aangewezen om dergelijke conferenties dan bijv. te houden van vrijdagavond tot zaterdagavond.
In dat geval is het echter moeilijk een plaats van samenkomen te vinden.
Een belangrijk punt van de bespreking is de reorganisatie van het Landelijk Verband.
De bedoeling is dat de verenigingen in een viertal districten worden verdeeld. Elk district heeft een eigen bestuur, dat gevormd wordt door één afgevaardigde van elke vereniging, tot dat district behorende. Uit elk districtbestuur worden twee personen gekozen als lid van het Hoofdbestuur. Los hiervan kiest de algemene vergadering vier a vijf personen, die als dagelijks bestuur fungeren.
De andere acht krijgen een bepaalde,
nog nader te omschrijven taak toegewezen.
Dit voorstel wordt aanvaard en een commissie benoemd die voor de doorvoering van dit districtswezen zal zorgen.
Hoewel hierin ligt opgesloten dat bestaande ringen dus worden opgeheven, wordt gesteld, dat deze eventueel kunnen blijven bestaan, als cle doorvoering van het districtswezen maar niet wordt belemmerd.
Bij de behandeling van dit punt werden enkele andere voorstellen die hiermee verband hielden gelijktijdig besproken.
Naar aanleiding van een weer geheel ander voorstel wordt besloten in „Daniël" een bijbelrooster voor persoonlijk, dagelijks gebruik op te nemen, waarmee dhr. M. Nijsse wordt belast.
Ten aanzien van een reeds bestaande activiteit, waarbij onze verenigingen ééns per maand in Merksem, het evangelisatiecentrum van onze Inwendige Zending, een 14.000 blaadjes „strooien", wordt besloten dit officieel te regelen via het Landelijk Verband. Hierbij worden de vier verenigingen te Rotterdam aangewezen om uit hun midden een commissie van vier personen te vormen, die hierover contact onderhouden met cle verenigingen; deze verenigingen, voor zover uitvoerbaar, aanwijzen om dit werk in een bepaalde maand te verzorgen, enz.
Voor nadere publicatie kunnen zij gebruik maken van „Daniël".
Verenigingen die, gelet op een te grote afstand, dit werk niet kunnen uitvoeren, zouden dit werk geldelijk kunnen steunen, want er zijn natuurlijk verenigingen, clie cle kosten voor een bus niet geheel zelf kunnen opbrengen. Hiervoor bestaat dan ook een suppletiefonds.
Op deze huish. verg. wordt daarvoor gecollecteerd. Het brengt het prachtige bedrag van ƒ 89, 13 op! Ook particulieren kunnen dit werk steunen. In „Daniël" verschijnt daarover een apart kort artikel, waarin tevens de giro-relatie wordt genoemd.
De huishoudelijke vergadering, waarvan het verloop uitvoeriger in de betreffende notulen komt, werd door ds. A. Vergunst met dankgebed gesloten.
De jaarvergadering
De voorzitter van het L.V., ds. H. Rijksen, stond voor een stampvol kerkgebouw, toen hij om 10.15 uur de vergadering opende.
Gezongen wordt Ps. 68 : 13; gelezen 2 Kron. 33 : 1 t.m. 13.
Nadat de voorzitter in gebed is voorgegaan, richt hij zich in de hier volgende toespraak tot de aanwezigen: Mijne vrienden! Het is mij een groot genoegen U welkom te heten op deze jaarvergadering van ons Landelijk Verband.
Het verblijdt mij clat U in zulk een groot getal is opgekomen. Inzonderheid heet ik welkom de aanwezige predikanten en ambtsdragers. Ook merk ik mevr. Hardon op, de secretaresse van het L.V. van meisjes-en vrouwenverenigingen. Het cloet ons goed, dat ook van uw hoofdbestuur enkele leden aanwezig zijn.
Vrienden, ik heb U een gedeelte uit 2 Kron. 33 gelezen.
Het gaat daar over Manasse, de zoon van Hiskia, de godvrezende koning van Juda.
Toen Hiskia op 55-jarige leeftijd stierf, was Manasse 12 jaar en werd toen al tot cle regering geroepen; een kind nog, maar dat heel goed wist wat hij wilde. Maar niet cle weg van zijn vader Hiskia. En clat heeft hij ook beslist niet gedaan. Hij is een van de meest goddeloze koningen geweest, die over Juda geregeerd hebben. In goddeloosheid overtrof hij Achab en Achaz.
Wij kunnen een hele lijst van gruwelijke daden noemen: Ontheiliging van de tempel, het vereren van cle zon, maan en sterren; ook richtte hij onder de profeten een bloedbad aan. En dit was geen gril van een 12-jarige, neen, dit is tot zijn 60e jaar doorgegaan.
Hoe kwam clat? Is clat te verklaren dat hij zo goddeloos was? De grondoorzaak is cle val in Adam. Maar toch, de tijd van Hiskia was een tijd van reformatie, van wederkeer tot 's Heeren dienst. En nu vond Manasse zijn vader te streng, hij werd meer geboeid door de veelkleurigheid van het heidendom dan door de strenge wetsgodsdienst der Joden.
Dat komt ook anders wel voor; jonge mensen, clie zeggen: , , 't Is zo eentonig, onze kerkdienst in cle dienst des Heeren." Zij willen wat anders, net als Manasse.
En toch! een voorbeeld: Bij ons op tafel staat iedere morgen brood, steeds hetzelfde voedsel. Altijd weer, ook in de kerk, gaat het over dat ene brood des levens, het ene nodige, cle genade van Jezus Christus. Als we daarin verandering willen aanbrengen, deugt het niet. Totdat bij Manasse cle bliksem van Gods toorn insloeg. Assyrië trekt op. In een ogenblik is alles bezet. Manasse mag zich dan in de tuin van het paleis verstoppen tussen de doornen, maar ze vinden hem. Een koning, met gescheurde kleren, besmeurt met het bloed door de doornen, wordt naar de gevangenis gebracht.
Maar Gods genade is overvloediger clan de goddeloosheid van Manasse. Wij lezen ervan: „Als Hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des Heeren ernstig aan."
In clie cel is de Heere hem gaan onderwijzen. Daar komt Manasse op cle knieën en bidt. Hij ervaart het, dat God een ontfermer is op het gebed. Dan gaat Manasse weer terug, wordt weer koning, gaat reformeren, maar het heeft geen ingang.
Dat blijkt hieruit, dat als Josia komt na Manasse, er nog zoveel te reformeren is. En in 2 Koningen lezen we niets van bekering en reformatie. Het optreden van Manasse is blijkbaar niet veel geweest.
Hoe komt dat? Manasse had zijn kracht verloren. Na zijn grote goddeloosheid willen zijn vroegere priesters en hooggeplaatsten er niet aan, aan clie reformatie. Er gaat ook niets van uit.
Manasse wordt ook niet in het Koningshuis begraven. Men voelt: er is iets gebroken in dit leven, dat niet meer hersteld kan worden.
Een ernstige les, om in ons jonge leven cle Heere te zoeken en te dienen. Niet uit te stellen tot later. Zie Manasse! Maar ook een rijke troost, want Manasse werd nog bekeerd en dat kan voor ons ook. „Wie Mij neecl'rig valt te voet, zal van Mij zijn wegen leren."
Laat Manasse een waarschuwend voorbeeld zijn.
De Heere geve Zijn zegen over het werk van onze plaatselijke verenigingen. Niet alleen een beschouwende kennis te hebben, maar bovenal Hem te dienen en in Hem elkaar.
Ilij zegene zowel cle arbeid der verenigingen als van ons Landelijk Verband.
Na dit met stille aandacht beluisterde openingswoord leest de voorzitter de tekst voor van het telegram, dat aan Hare Majesteit de Koningin zal worden gezonden.
Zoals te doen gebruikelijk wordt daarna vers 1 en vers 6 van het Wilhelmus gezongen.
Nog tijdens de middagvergadering kwam van Hare Majesteit een antwoord-telegram.
Jaarverslagen
De jaarverslagen van secretaris en penningmeester geven een bevredigend beeld van de gang van zaken.
Door toetreding van 6 verenigingen (dit is intussen 7 geworden!) en het bedanken van 2 verenigingen is het aantal verenigingen dat bij het L.V. aangesloten is gestegen tot 45 met een totaal aantal leden van 837 tegen 627 in het vorig jaar.
Mededelingen
De voorzitter geeft in korte trekken een overzicht van de voornaamste gedeelten uit de besprekingen op de huishoudelijke vergadering, zoals die in het begin van dit verslag zijn genoemd.
„De twaalf verspieders"
Ds. Schipaanboord begint in zijn toespraak over dit onderwerp met te zeggen dat het grote keerpunt in het leven van het volk Israël, op reis naar het beloofde land, gekomen is door de gebeurtenis in Kades. Wat daar gebeurt; we lezen het in Numeri 13 en 14, is aanleiding dat het volk veertig jaar zal moeten omzwerven in de woestijn.
De God des Verbonds zal door de kinderen des Verbonds verworpen worden. God had dit volk een kostelijke erfenis toegezegd. Dit volk ziet, als na spannende dagen op de 40e dag de uitgezonden verspieders terug zijn gekeerd, wat de verspieders meebrengen.
Deze verspieders brengen verslag uit en ze zijn éénparig in hun oordeel dat het een land is, vloeiende van melk en honig. Maar ondanks de beloften Gods en de tastbare resultaten in wat Hij reeds schonk komen ze met hun ongeloofsbezwaren. Het is een sterk volk, het zijn grote steden, het zijn grote mensen, — Enakskinderen.
Hier is het keerpunt. Het volk wordt ontmoedigd, de moed zakt bij het ogenblik. De houding van het volk is gevolg van de houding der tien verspieders, die géén goed gerucht voortbrengen. Dit is een verzwakking, van wat ze zelf gezien hebben, een verzwakking van wat Jozua en Kaleb zeggen.
En ineens zijn daar al die mensen in het land Kanaan groot. Naarmate de lasterlijke voorstelling der tien verspieders groter wordt, worden ook de reuzen groter en wordt God en wordt Zijn belofte kleiner. Ze verwerpen het land en het zaad van de revolutie dat gestrooid wordt, schiet welig op.
Ja, als men de menselijke zijde der bezwaren ziet, is het onmogelijk. Maar Jozua en Kaleb geloven de belofte Gods aan de vaderen, al wordt die ook door de tien verworpen.
Jozua en Kaleb, wij zouden ze de getrouwe dienaars van het Evangelie willen noemen. Waar die klanken gehoord worden wordt men toornig en komt er verzet. Is dat niet altijd zo? Was het later niet zo bij Naaman en Elisa, bij Petrus en Jezus, waar het verzet moest gebroken worden.
Intussen hebben die tien een daverend succes.
Terug naar Egypte! Het muitzieke volk gaat te keer tegen Mozes. Waarom worden wij naar dat land gebracht? Om te sterven en onze vrouwen tot een roof over te geven? Liever terug naar Egypte.
Hier is een weigeren om te aanvaarden wat God in Zijn belofte aan Abraham, Izak en Jacob heeft gezworen; hier is een bewust verwerpen van de belofte. En hoe zwaar de taak en hoe diep de zielesmart van Mozes en Aaron is, ze mogen het overgeven; hun zaak wordt Gods zaak.
God zegt „amen" op wat het volk zegt: „Och dat we maar gestorven waren in de woestijn"! Ze zullen in de woestijn sterven.
Jozua en Kaleb, twee geloofshelden, twee getrouwe evangeliedienaren temidden van de muitende horde.
Ze dringen aan op gehoorzaamheid. Het volk is toch verlost uit het diensthuis in Egypte, vrees dus niet.
Als de Heere dan een eind zal maken aan deze goddeloze toestand, pleit Mozes nog voor het volk, wijst de Heere op Zijn grote Naam en smeekt in zijn gebed om de verheerlijking Gods in Zijn barmhartigheid.
Maar God laat Zich niet bespotten. Het volk heeft Hem tien maal bespot en nu te Kades. De maat is vol; God presenteert de rekening aan dit volk. Boven de twintig jaar moet alles in de woestijn sterven.
Voor iedere dag dat de verspieders zijn weg geweest, moet het volk een jaar omzwerven. (Num. 14 : 34).
Nu wordt het volk wel gewillig, maar het is te laat.
Zelfs willen ze het drama ongedaan maken, maar de ark en Mozes gaan niet mee.
Hoe droevig komen die tien verspieders aan hun eind, hoe vergaat het het volk dat eigenzinnig wil optrekken.
Wat heeft deze historie ons, ons jongeren, te zeggen?
In deze historie zien we het historisch en normatief gezag gelden. Duizenden willen ook in onze dagen Kanaan binnengaan, maar zonder God.
De geest der tien verspieders gaat nog door, in alle omstandigheden. In onze dagen is de invloed van de T.V. enorm. Zelfs de neutrale pers is er bezwaard over en zouden wij, die leven bij Gods Woord, niet waakzaam zijn?
In de strijd van de reformatoren tegen allerlei dwaalgeesten zien we, dat de tien verspieders nóg leven, maar ook de twee, de getrouwe Evangeliedienaren, die het Woord Gods verkondigen naar de mening des Geestes.
Het is uitnemend groot dat wij leven op de erve des verbonds. Groter is het dat wij als vrucht van wedergeboorte dit alles mogen inleven.
Als ge, mijne vrienden, hierover spreekt op uw vergaderingen, brengt dan een goed gerucht voort.
Zo eindigde ds. Schipaanboord zijn lezing, waarnaar met ononderbroken aandacht werd geluisterd.
De talloze vragen die op dit onderwerp kwamen, werden op duidelijke en vlotte wijze door ds. Schipaanboord beantwoord.
Een woord van hartelijke dank aan het adres van onze eerste spreker was dan ook zeer op zijn plaats.
Ds. Schipaanboord heeft de morgenvergadering met dankgebed gesloten.
De middagvergadering
Ds. K. de Gier opende de middagvergadering met gebed.
Direct daarop wordt het woord gegeven aan de heer G. J. v. d. Beek te Rotterdam, die over „Jeugd en criminaliteit" spreekt.
Jeugd en misdaad zijn, aldus de heer v. d. Beek nauwer verwant dan wij beseffen.
Wij zondigen met gedachten, woorden en werken.
In deze wereld zijn machten gesteld om zekere soort van zonden te straffen.
Onze overheid straft niet alle zonden. Met ons telegram aan Hare Majesteit de Koningin hebben wij betuigd blij te zijn niet in een dictatuurstaat te leven. In Rusland worden ook de gedachten niet met rust gelaten.
Meer dan de helft van de misdadigers zijn recividisten, de z.g.n. „grote staters." Van hen bestaat een speciaal kaartsysteem waarop de grote lijst van misdaden is aangetekend. Het begint al in de jeugd. Argeloos. Een jongen uit de 6e klas, die een goed verstand heeft, maar het niet gebruikt, spijbelt b.v. Hij komt daardoor tot liegen. Hij snoept, maar omdat hij te weinig geld heeft, steelt hij en als dat ontdekt wordt, liegt hij weer. Hij weet het niet.
Zoals gezegd: Jeugd en misdaad liggen dichter bij ons dan wij beseffen. Dikwijls gaat het thuis niet goed en vloeien daaruit alle narigheden voort. De kinderen zijn er bij als er ruzie is, als er gevloekt wordt en zelfs ook wel als de vader de moeder met een mes bedreigt. Kinderen die in zo'n milieu opgroeien, bepaalde dingen zien gebeuren, kunnen dat zelf niet laten.
Zelfs in gezinnen waar men het zo niet aanziet en kleine ruzies soms ontaarden in heftige scheldpartijen.
Die jongen, waar we het over hadden is enkele weken bij een baas. Maar 't zint hem niet. Gaat weg, heeft geen geld, steelt een fiets of doet, zoals pas in Rotterdam is gebeurd, komt tot moord en doodt zo nodig nog iemand, een kind.
Het is heel niet zeker dat het alles overwogen is, maar het is zo.
Zowel in de stad als op het platteland groeit en gebeurt de misdaad. Men ontmoet elkaar op een hoek of op een plein, men beraamt plannen en elders ontwikkelt en voltrekt zich dan de misdaad.
In de stad is het veelal erger dan op een dorp. Op een dorp kent men elkaar te goed en is men bang wat men zeggen zal, terwijl men in de stad elkaar soms na jaren nog niet kent.
Het geval met die Surinamer in Rotterdam, een souteneur, bewijst maar al te zeer hoe de misdaad groeit.
Dhr. v. d. Beek tekende op duidelijke wijze, hoe alles bij aanklacht, verhoor, verdediging en vonnis gaat.
Ook de betekenis van de psychiater, hoewel het te betreuren is, dat deze veelal nergens aan geloven en van welk een waarde het zou zijn als ook onze studerenden zich met hun studie op dat terrein zouden begeven.
Voorts toonde spreker aan de wijze van straffen, de strafmaat, de reclassering en veel andere dingen, die met misdaad, straf, nazorg enz. te maken hebben.
Voor ons geldt de grote vraag: „Hebben wij de Geest Gods in ons leven? Wie is onze naaste? Dat is hij, die op ons pad wordt gebracht.
Daarom, jonge mensen, leef bij Ps. 119: „Uw woord is mij een lamp voor mijne voet."
Dan doen we allen in eigen omgeving wat. De man die uit de gevangenis komt, moet weer aan de slag en het zou goed zijn als uit ons midden reclasseringsambtenaren kwamen, die deze mensen weten op te vangen en te helpen.
Laat ieder in eigen hart kijken!
Op dit spannende betoog van de heer v. d. Beek volgde een zeer uitgebreide bespreking. Op slagvaardige wijze werd de stapel vragen beantwoord.
Ook dhr. v. d. Beek werd door de voorzitter zeer hartelijk dank gebracht voor het gebodene.
Toespraak Celzo Müniz
Door ds. Rijksen wordt nu aan de vergadering voorgesteld een ex-priester uit Spanje, professor Celzo Müniz. De Heere heeft deze vooraanstaande en hooggeplaatste figuur uit de Roomse Kerk in Spanje getrokken uit de macht van die duisternis en hem overgebracht in Zijn licht. Op zeer wonderlijke wijze kwamen wij met hem in relatie en professor Müniz heeft de wens te kennen gegeven zo gaarne deze vergadering van onze jonge mensen toe te spreken. Hij is in gezelschap van nog een ex-priester en van de heer J. S. Vos, theol. student te Utrecht, die hem zal vertalen.
De volledige tekst der toespraak hopen wij af te drukken in het volgende nr. van ons blad, omdat de ruimte hiervoor nu ontbreekt. Wij verwijzen dan nog even naar dit verslag.
Aan het eind van de vergadering spreekt de voorzitter woorden van hartelijke dank tot de kostersfamilie en de regelingscommissie die zich op zulk een uitnemende wijze van hun taak hebben gekweten.
Slotwoord
Ds. C. Harinck, predikant van onze Utrechtse gemeente spreekt een slotwoord.
Dat kan, volgens ds. Harinck, kort zijn want er is al zo veel gesproken.
Er is vandaag o.a. gewezen op de vele gevaren waarin wij leven. Willen U toeroepen: Onderzoekt de Schriften! Bij het licht van 's Heeren geest zal het U gaan als bij Josia. Hij vond het wetboek en zag toen pas goed, wat God eiste. Hij scheurde toen zijn klederen en weende zeer.
Als de verhouding tot God goed wordt, wordt de verhouding tot onze naaste ook goed.
De moderne theologie verlegt de accenten: dit doen, dat laten enz., maar.. „tenzij iemand wedergeboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien."
Zoek in dat wetboek, in Gods woord, daarin vindt ge uw grote schuld, uw diepe val, maar ook Jezus Christus, de gekruiste.
Het stemt tot blijdschap, dat zovelen zijn gekomen. De Heere gebiede over ons allen Zijn zegen. Na het zingen van Ps. 25 : 3 en 4, eindigt ds. Harinck met dankgebed, waarmee deze 27e jaarvergadering is beëindigd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1963
Daniel | 8 Pagina's