Christelijke organisatie.
De stroom van brieven over dit onderwerp houdt nog steeds aan. Ik zie mij dan ook genoodzaakt, verschillende van die brieven verkort op te nemen, indien er geen nieuwe gezichtspunten naar voren komen.
De vraag, hoe moeten wij staan tegenover Christelijke organisatie, beantwoordt een Utrechtenaar bevestigend: „dat we daar vóór moeten zijn, want Gods Woord leert ons toch, dat het leven met elkander en voor elkander behoort te wezen en dat twee er meer weten dan één." Wel is ook hij beducht voor het „Christelijk", want hij vervolgt: „want daar zijn tegenwoordig op maatschappelijk terrein nog al eens heel wat steekjes aan los." Maar dan vraagt hij zich af, of we dan daarom de neutrale kant maar kiezen moeten? Hij meent: „dan vallen we juist van kwaad tot erger, want wij geloven, dat neutraal niet bestaat. Wij geloven, dat we dan beter proberen kunnen, om die gevallen steekjes wat op te rapen, d.w.z. trachten om er verbetering in te brengen." Hij heeft grif toe, dat dat niet zo eenvoudig is, maar „wantrouwen krijgen we weg door elkander te leren kennen en elkander de waarheid te zeggen op een geschikte en beleefde manier."
Tot zover zou ik de inhoud (verkort) van cle brief uit Utrecht weer willen geven. Hartelijk dank.
Een geheel nieuw aspect geeft een brief uit Gouda. Hij schrijft: „Naar mijn mening heeft u er te weinig op gelet, dat deze vakbonden vrijwel allemaal verlengstukken zijn van bepaalde politieke partijen. Vele bestuursleden zijn ook kamerleden, die op hun beurt een vuist maken tegen cle regering, als clat zo te pas komt.
Het bestaan van vakbonden is zeer goed te verdedigen, maar het gaat er maar om, wat is het voor een bond? Zoals cle zaken nu staan, is de macht van de bonden bedenkelijk groot geworden. Waren de werknemers in het begin van deze eeuw slecht georganiseerd, nu is de organisatie zo sterk uitgegroeid, clat men de regering des lands de wet wil voorschrijven.
Zo kan men in A.R.-strooibiljetten lezen, clat de A.R. candidaten belangrijke functies vervullen in de C.B.T.B. enz. Voor mij ligt het strooibiljet, dat cle A.R.P. in Gouda en omgeving in maart 1962 heeft verspreid bij de Statenverkiezing. Ik citeer over de candidaten:
Nummer 1 van de A.R.P. lijst: Hij is secretaris van de afd. Gouda van de C.B.T.B.
Nummer 5: Hij was, meest als secretaris, betrokken bij de oprichting der afd.
„Krimpenerwaard" en der kringen „Gouda" en „midden-Zuid Holland" van de C.B.T.B.
Zo zou ik kunnen doorgaan met het citeren uit politieke manifesten van hoedanigheden en functies van candidaten uit de vakbondssector. Vrijwel alle partijen hebben vakbonders in de vertegenwoordigende colleges. Ja, bij de candidaatstelling wordt hierop scherp gelet. Tenslotte nog één citaat, ontleend aan de partijrede van 23-2-'38 voor de S.G.P., gehouden door onze welbekende wijlen Ds. G. H. Kersten: „In Zeeland moet een Pachtkamer worden saamgesteld tot berechting van de betrokken belangen der Zeeuwse boeren. En zowaar, Rome eiste nu voor zich het secretariaat op; voorop moest staan dat tot secretaris een Roomse benoemd zou worden, met standplaats in het verafgelegen Hulst. Hoewel de Roomsen in Zeeland slechts éénvijfde deel der bevolking uitmaken, willen zij er cle wet stellen. En zij worden trouw geholpen door de z.g. C.B. T.B., de gewillige dienaar van Rome, " aldus de briefschrijver uit Gouda.
De laatste opmerking doet er, geloof ik, in ons verband niet zoveel toe, want hier is sprake van een Pachtkamer en die is
niet aan de orde. Overigens hartelijk dank voor uw reaktie.
Vervolgens Enkhuizen. Schrijver (65 j.) vertelt, dat hij vroeger een tegenstander van organisatie was. Maar de toestanden in de Zaadbedrijven ter plaatse waren zo slecht, dat hij tot een ander inzicht is gekomen. „Want het is mij gebleken, dat door organisatie (en dat houdt in: samenspreking), iets valt te bereiken, wat met een persoonlijk onderhoud niet bereikt wordt. Wij hadden n.1. een werkgever, waarvoor bijna iedere werknemer bang was en bijgevolg durfde men niet naar het kantoor te gaan." Ook briefschrijver kon niets bereiken. „Ten einde raad ben ik tot het inzicht gekomen, dat organisatie dringend en ook verantwoord noodzakelijk was en heb ik daartoe ook de stoot gegeven. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, voordat één van onze hoofdbestuurders toegang kreeg tot de directie. Het resultaat was, dat heel geleidelijk de arbeidsvoorwaarden en de beloning veel verbeterd zijn. Er wordt nu al enkele jaren in goede verhouding samengewerkt. En dit verklaar ik hier volmondig, dat wij naast God dankbaar mogen zijn voor ons Christelijk Nationaal Vakverbond en haar afzonderlijke bonden, want zij heeft zegenrijk werk verricht en dat doet ze nog. En nu is het woord „Christelijk" erg rekbaar en alle stellingen, die de bonden poneren, hebben niet mijn instemming. Maar de doelstelling om met elkander, werkgever en werknemer, tot een goede oplossing en verhouding te komen, heeft mijn volle instemming. En over die samenspreking vraag ik vrijmoedig de zegen des Heeren (briefschrijver is voorzitter van de afd. Enkhuizen van de Chr. Landarfbeidersbond), want wij mogen toch de organisatie als middel gebruiken, maar we moeten ons altijd afhankelijk stellen van Hem, Die alles regeert. Christelijke organisatie is noodzakelijk; niet om ons vertrouwen te stellen op de organisatie, want die hem besturen zijn ook mensen, maar op de Heere alleen, want dan alleen mogen wij ook zegen verwachten.
En nu nog iets over staking. Dit vind ik beslist niet geoorloofd. Het standpunt van het C.N.V. is nu toch ook zo, dat men staking afwijst en men alleen langs de weg van samenspreking de moeilijkheden, die er zijn, oplost", aldus iemand uit Enkhuizen. Hartelijk dank.
Speciaal over de staking hier nog iets uit Utrecht.
„Mijn persoonlijke mening is, " schrijft hij, „dat iemand, die de naam Christelijk draagt en wil dragen, dat van zo iemand niet één haar op zijn hoofd er over moet denken om tot staking over te gaan en nog minder er toe aan te zetten. Beseffen we dan wel, wat het woord „Christelijk" betekent? Dat we die naam willen dragen? Is dat niet, dat we alle geboden Gods van harte liefhebben, ja als 't ware uit Hem, door Hem en tot Hem willen zijn. En dan tot zulke dingen over te willen gaan of aan te willen zetten? God, Die ons zegt, dat we zullen werken en dan niet te willen werken. Moeten we dan alles maar goed vinden? O neen, helemaal niet, wettige bezwaren mogen en moeten op een wettige en behoorlijke manier bij de patroon naar voren worden gebracht. Maar als dat voor ons, arbeiders, geen resultaat of gehoor vindt, dan mogen wij in geen geval Ionwettige middelen gebruiken. Daar kan Gods zegen helemaal niet op rusten. Allen die de naam van „Christelijk" dragen, moesten die dingen schuwen en we kunnen erop rekenen, dat God geen ledig aanschouwer is van zulk goddeloos gedoe. Voor diegene, die de naam „Christelijk" draagt, is de verantwoording nog groter. We moeten in onze daden betonen, dat we ook werkelijk Christelijk zijn en dat is toch: doorwerken. Dat we het in de eerste plaats niet van de werkgever verwachten, maar van God, Die ons zegt in Zijn Woord: „Mijne is het goud en het zilver." Dus ook hierin het oog omhoog en het harte naar boven en dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen."
Onze dank voor deze brief.
Gesprekleider.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1963
Daniel | 8 Pagina's