Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een praatje vooraf.
Jullie hebben aan onze vorige bladzijde wel gemerkt, dat het eigenlijk mijn bedoeling geweest was, dat hij in het nummer van 4 januari opgenomen was. De copie was waarschijnlijk iets te laat op de drukkerij en kon er niet meer in; dat was jammer, maar niets aan te doen. Ik dank degenen, die mij een kaart of kaartje stuurden nog wel heel hartelijk en wederkerig Gods zegen toegewenst hoor. Uit Apeldoorn heb ik intussen bericht ontvangen, dat de daar opgerichte K.V. zich heeft aangesloten bij ons L.V. Daar zijn we als hoofdbestuur erg blij mee en we heten de 21 Gideonieten met hun leider heel hartelijk welkom in onze gelederen. Ik hoop dat jullie trouwe bezoekers van onze Landdagen zullen worden en dat ik ook via deze bladzijde in „Daniël" met jullie veel contact mag hebben.
Hebben jullie nog genoten van ijs en sneeuw? Er was nu gelegenheid genoeg om te schaatsen hé; hebben jullie lange tochten gemaakt? Alleen als je 's morgens vroeg door de kou moest, dan was het zeker niet zo prettig?
De oudere mensen zullen wel blij zijn als het gaat dooien, want de winter brengt veel ongemakken mee, waar jullie nog zo zeer geen erg in hebben.
Jullie hebben toch zeker wel extra aan de vogels gedacht; zij hebben het wel het zwaarst te verduren in die barre wintertijd. Jullie zijn echter echte dierenvrienden, en zullen zeker goed voor je gevleugelde kameraden gezorgd hebben, 't Is te hopen dat de ijsbloemen weldra van de ramen zullen wijken. Wat is zo'n ijsbloem toch kunstig! Ik heb er nog een gedicht over.
DE IJSBLOEM
Het vriest, de nevels moeten wijken Men stookt in hut en in paleis, En 's morgens op de ramen prijken De wonderbloemen van het ijs.
O flonkertak, o ranke varen, O toverspel van vocht en wind, Uw schitteren, waar wij naar staren, Wijkt voor de adem van een kind.
Het glas is helder als voor dezen, Heeft kinderadem zulk een kracht, Hoe machtig moet Uw adem wezen Heer', die ons reinigen volbracht.
Willem de Mérode.
Vinden jullie dit ook niet een mooi gedicht? Jullie begrijpen het toch wel; lees het maar eens een paar keer of leer het uit het hoofd?
Nu krijgt één van jullie het woord met een opstel over:
Uit het leven en lijden der Waldenzen
In een vallei aan de grenzen van Piémont en Dauphiné lag het mooie dorp St. Madeleine de Bellevue, aan de oever van een helder blauw meer. De weg, die van Frankrijk naar het dorp leidde, liep door de Alpen. Hier en daar was deze weg erg gevaarlijk, maar toch mooi tussen rotsklompen en bergstroompjes. Tussen die kleine huisjes, daar aan de rand van het meer, stond ook de woning van Pierre de Beauvoisin. Het was een mooi klein huisje. Iedere bezoeker, die het huisje binnentrad werd verwelkomd met deze begroeting: „Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zoudt gij buiten staan? " Pierre was de zoon van de Leraar der Waldenzen in St. Madeleine. Hij is op 't ogenblik niet thuis, want Pierre moet als soldaat dienen in het leger van de Franse koning, omdat de vallei waarin het dorp ligt aan Frankrijk behoort. Voor Pierre zijn vrouw, Blanche, is het niet prettig om alleen voor de opvoeding van haar kleuters te zorgen; ze is nog zo jong.
Kijk, daar uit de bergkloof komt iemand te voorschijn. Hij loopt erg ongelukkig, deels te wijten aan zijn vermoeidheid, omdat hij al een lange weg heeft afgelegd en deels aan een verwonding aan zijn rechterbeen. Wie is toch deze man? Ja hoor, 't is Pierre de Beauvoisin. Hij is ontslagen uit het Franse leger, omdat hij in de laatste krijg gewond raakte.
Eindelijk, na een lange voetreis over de Alpen, is hij in de vallei aangekomen. Reeds van veraf ziet hij zijn huisje. Het valt hem dadelijk op, dat er daar zoveel is veranderd. Dichterbij gekomen ziet hij zijn oudste zoon Hubert, die inmiddels twaalf jaar geworden is, aan het venster zitten lezen in grootvaders Bijbel.
De jongen ziet een voorbijganger met een soldatenjas; hij legt zijn boek weg en loopt op zijn vader toe, die hij inmiddels herkend heeft. Vol blijdschap roept hij: „Vader, lieve Vader!" en loopt dan snel naar zijn tante om moeder te halen. Pierre gaat zijn huisje binnen en begroet zijn jongste dochter Blanche. Spoedig omhelst hij ook zijn vrouw. Vader Pierre wil ook zijn jongere zoon Antoine en zijn oudste dochter Gabriëlle zien. Als hij aan moeder vraagt, waar deze kinderen zijn, wordt zij bleek. „Ja, man, onze Gabriëlle is bij de herders in de bergen, maar Antoine....", en dan barst ze in snikken uit, „is een half jaar geleden plotseling ziek geworden en na een ziekte van twee weken nam de dood hem weg." Nu schaamt Pierre zich als oud-strijder ook niet voor zijn tranen, want Antoine was immers, als hij met verlof thuiskwam, altijd zijn speelkameraad geweest, en nu moet hij aanhoren, dat deze zoon weggenomen is. Maar Blanche weet haar man te troosten en zegt: „Wie weet, de Heere wilde hem misschien wel voor een groot gevaar bewaren." Deze vertroosting stilt het verdriet van Pierre enigszins. Even later ziet hij z'n dochter aankomen; zij begroet hem met dezelfde woorden als Hubert. Tot laat in de nacht ligt Pierre het wel en wee te overdenken, ook over zijn verloren zoontje. Tegen het morgenlichten mag hij ook, net als zijn vrouw, zijn zoon overgeven aan de Heere, door te geloven: „Wat God doet is welgedaan."
Wim Boone — Oostburg (Wordt vervolgd)
Fijn Wim, dat je me zo'n lang en mooi verhaal stuurde; het geeft helemaal niet hoor; we maken er gewoon een vervolgverhaal van. Stuur je me weer gauw een vervolg? En nu
tien nieuwe vragen.
51. Tegen wie zei Festus: „Morgen zult gij hem zien." 52. De profeet Joël, de zoon van 53. Van wie waren de twaalf vorsten, die van Havila tot Sur woonden, zoons? (Gen.) 54. In de borstlap van de hogepriester was de en de Tummim. 55. Hoe heette de koning van Egypte, die Jeruzalem belegerde ten tijde van Rehabeam? 58. Welke schaapherder zag een braambos branden, die niet verteerde? 57. De priester Zacharias was van de dagorde van.... 58. Een stem is gehoord in , geklag, geween en veel gekerm. 59. Eén van de berijmde verzen van Ps. 105 begint: De sprinkhaan en de.... kwamen. 60. Omri, de koning van Israël, regeerde eerst zes jaar te
De beginletters (plus de letter p) vormen samen de naam van een markt of plein in de stad Rome. Nu hebben jullie dus weer dertig vragen gehad en verwacht ik jullie antwoorden. Je kunt alleen maar mee doen als je ook de eerste dertig opzond, anders heeft het geen zin. Ik verwacht jullie brieven of briefkaarten voor vrijdag 15 februari, niet vergeten. Zenden jullie ze rechtstreeks naar mij en niet, zoals sommigen de vorige keer gedaan hebben, via mijnheer Hoogendoorn in Gouda; dit geeft maar extra werk en kosten. Natuurlijk doen jullie weer mee!
Eliam of Ammiël Gerrit Roos en ook enkele anderen zijn nog eens teruggekomen op een vraag van de serie van vorig jaar n.1. deze: oe heette de moeder van Bathséba? Als antwoord heb ik toen gegeven Ammiël (1 Kron. 3 : 5). De vader van Bathséba heette Eliam. (1 Sam. 11 : 3). Nu zeggen Gerrit en de anderen: olgens de kanttekening wordt met Eliam, dezelfde bedoeld als Ammiël. Ik heb het eens nagekeken en dat staat er inderdaad. Dat wil echter helemaal niet zeggen dat dit inderdaad zo is. Uit het bijbelse gegeven is dit niet op te maken: olgens mij kan zowel het één als het ander en wij zullen er echter niet over twisten en de zeer wijze kanttekenaar geloven. Tevreden jongelui?
En tenslotte zou ik graag de leeftijd van Leen den Besten uit Leerdam willen weten, want ik heb gemerkt, dat ik met hem nog iets goed te maken heb. Schrijf je even Leen? Ik krijg de laatste weken nog al wat uitnodigingen voor jaarvergaderingen. Hartelijk dank vrienden. Ik hoop dat het goede avonden geweest mogen zijn of zullen zijn. Ik vind het fijn dat jullie me op de hoogte houden. Allen hartelijk gegroet en tot over veertien dagen D.V.
C. DE BODE, Pr. Bernhardlaan 27, Dirksland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1963
Daniel | 8 Pagina's