Woord en wereld
i.
Inleiding
Van diverse kanten werd me in de afgelopen maanden gevraagd om eens in te gaan op onze „omgang met buitenkerkelijken."
Graag voldoe ik aan dit verzoek, want velen zitten op dit punt blijkbaar met grote moeilijkheden. Het verheugt me dat deze moeilijkheden er zijn. Want er zijn, helaas!, ook vele jongeren die 's zondags 2 x naar de kerk gaan en in de week hun eigen leventje leven. Eén van hen vertelde me onlangs, dat hij het niet nodig vond om met z'n kollega's over Christus te spreken, „want daarvoor kom je niet op je werk". Huiveringwekkend!!! Heeft Kraemer dan helaas niet gelijk als hij zegt:
„De moderne wereld heeft door de zegepraal van haar secularisatie de kerk getemd tot een „reservaat" voor lieden met religieuze behoeften, en de kerk heeft zich grotendeels daarbij neergelegd. Het resultaat is dat de belangstelling van de kerken vooral uitgaat naar haar eigen groei en welzijn. De kerk stelt zichzelf in het centrum. Zij is egocentrisch. Haar belangstelling voor de wereld is hoogstens bijzaak") x ).
Gemeente en modern heidendom
Helaas heb ik enkele keren in dit blad het woord „buitenkerkelijke" gebruikt, om hem aan te duiden die met de kerk volledig gebroken heeft. Dit woord vinden we echter niet terug in de Schrift! De Schrift spreekt enerzijds over „de gemeente". De gemeente is het „volk van God" met de roeping „gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn" (Ex. 19 : 6).
En Petrus noemt de gemeente van het N.T. eveneens „een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk", met de roeping „opdat gij zouclt verkondigen de deugden Desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht" (1 Petrus 2 : 9). Met „duisternis" wordt bedoeld „heidendom", met „wonderbaar licht" het „evangelie van Jezus Christus".
Al is het héle volk Israël en de gehéle gemeente van het N.T. door God uit de duisternis van het heidendom getrokken, toch zijn niet alle leden van Christus' gemeente kinderen Gods. „Onder Mijn volk worden goddelozen gevonden" (Jer. 5 : 26) Wij zeggen vaak: de bekeerden en onbekeerden"; de Schrift gebruikt scherpere woorden, nl. „rechtvaardigen" en „goddelozen".
Ook in de gemeente van het N.T. zijn er „valse broeders" (Gal. 2 : 4; 2 Kor. 11 : 26). Zonder wedergeboorte is er geen zien van het Koninkrijk. Niettemin is de gehéle gemeente geroepen om Gods deugden te verkondigen, in woord én daad.
De Schrift zegt echter ook wat over hen, clie niet bij de gemeente behoren. Het zijn degenen „die buiten zijn" (Coll. 4 : 5). Zij zijn de gojim, de heidenen. Zij leven huiten de lichtkring van het Evangelie, buiten de kring waarin God Zichzelf door Woord en Sakramenten als Verlosser openbaart. Zij zijn de „buitenstaancien".
Ze leven in de stikdonkere nacht van schepselverering. Ofschoon zij God kennen, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt. Ze hebben de waarheid Gods veranderd in de leugen (Rom. 1 : 21 e.v.)
Dit alles is in 1963 nog precies zo!
Ook nu is er in nederland de (gruwelijk verscheurde) kerk Gods en hebben wij de H. Doop ontvangen „door hetwelk wij in de Kerk Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, zijn merken veldteken dragende" (art. 34 NGB). En ook nu zijn er in Christus' gemeente valse broeders, „hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in haar zijn" (art. 29 NGB).
En ook nu zijn er (in ons land!) honderdduizenden, die buiten de lichtkring des Evangelies leven. Zij hebben die verlaten of.... zijn er nog nooit in geweest. Daarom zijn zij de beklagenswaardigsten van alle mensen! We moeten hen — met grote ootmoed! — „moderne heidenen" of „buitenstaanden" noemen. Het woord „buitenkerkelijke" komt in de Schrift niet voor, het is té zwak en té neutraal. Ook hier geldt „indien iemand spreekt, hij spreke als de woorden Gods"!
Heilige aktiviteit
Als de gemeente te Jeruzalem door de vervolgingen uiteengeslagen wordt, gaan de gemeenteleden „die verstrooid waren het land door en verkondigden het Woord". Deze gemeente is dus voluit zendingsgemeente, in woord én daad; de Heere gebruikt haar aktiviteit, want „een groot getal geloofde en bekeerde zich tot de Heere" (Hand. 11). Hij gebruikt zondige gemeenteleden — o wonder! — om buitenstaanden tot geloof en bekering te brengen.
De gemeente laat het zendingswerk dus niet alleen over aan de apostelen; nee, zij staat achter hen door zélf eveneens aktief te zijn in het getuigen.
Paulus, die poogde om de mensen „te bewegen tot het geloof in Jezus van des morgens vroeg tot de avond toe", roept de gehele gemeente te Efeze op om zich te schoeien „met de bereidvaardigheid van het Evangelie des vredes". De gemeente moet dus bereidvaardig zijn om zélf het Evangelie ook uit te dragen.
Aan de gemeente te Filippi schrijft Paulus, dat hij God dankt over „uw gemeenschap aan het Evangelie". Hiermee bedoelt hij, volgens de grondtaal, dat zij zelf ook deelnemen aan de Evangelieprediking; de gemeenteleden dragen dus zelf het Evangelie ook uit in hun dagelijkse leven.
Daarom merkt Bavinck terecht op dat:
„De Christelijke Kerk heeft in de eerste eeuwen haar offensieve houding niet verloren, zij heeft zich een baan gebroken in de toenmalige wereld, doordat de gewoonste gemeenteleden meedroegen aan de ontzaglijke taak van de evangelieverkondiging aan alle volken. De ambteloze zendelingen hebben het Romeinse rijk veroverd" 2 ).
Paulus laat de gemeenten op deze moeilijke weg niet in een geestelijke kou staan, hij geeft hun allerlei praktische raadgevingen. Hierop hoop ik in volgende artikelen in te gaan.
De gemeente te Korinthe heeft haar roeping bitter slecht beseft. Het vuur naar buiten is gedoofd, het vuur naar binnen ontbrandt dus. Dit onheilige vuur dreigt de gemeente te verteren. Partijtwisten zijn aan de orde van de dag. De gemeenteleden scharen zich niet rondom Christus Jezus, maar rondom enkele favorieten (Paulus, Apollos, etc.). De wereld kent film-sterren, de kerk kent kansel-sterren.
Het is een ingekeerde, naar binnen gerichte, gemeente geworden. De gemeente is zich er niet meer van bewust dat ze een instrument is van Jezus Christus. Zij verspert de voortgang van het Evangelie door haar taalgebruik (tonge-
taal) en door haar goddeloze leven (hoererij).
Er is dus een verband tussen (1) ingekeerdheid (2) partijtwisten (3) voor buitenstaanden onbegrijpelijk taalgebruik (4) goddeloos leven.
Paulus schrijft haar: „Maran-atha!", d.w.z. onze Heere komt! De Heilige Geest konfronteert de gemeente dus met de komende Heere Jezus, en niet met de naderende dood. De Geest doet geen beroep op het diep menselijk verlangen naar een rustig sterfbed. Niet de mens met zijn behoeften, maar het komende Koninkrijk staat in het centrum van Paulus' prediking. Hij konfronteert de gemeente èn de buitenstaanden voortdurend met de komende Christus. Daarom heeft de gemeente haast te maken met het doorgeven van het Evangelie, want onze Heere kómt. Het Nieuwe Testament trilt a.h.w. van deze haast en blijde verwachting, en dit te meer „naar dat de dag nadert".
Hoe is dit bij u en mij?
Onheilige aktiviteit, vrijmoedigheid
Het komt helaas voor dat jongeren zich aan Christus' roeping onttrekken met de verontschuldiging: „daarvoor ben ik nog te jong, en ik ben onbekeerd".
Zó is men ongehoorzaam aan Christus' uitdrukkelijke wil; zó is men voor z'n naaste niet tot een zegen, maar tot een.. vloek! Van tweeën één, zegen óf vloek. U weet toch wat Christus straks met het smakeloze zout gaat doen? Het is nergens voor geschikt, „men werpt het weg. Wie oren heeft om te horen, die hore" (Luk. 14 : 34).
Uit brieven blijkt dat velen het met Christus' roeping om te getuigen zéér moeilijk hebben, dat deze roeping hen vaak of altijd benauwt. Het angstzweet en het bonzende hart duiden op een (valse) schaamte voor het Evangelie van Christus.
En er dan maar mee ophouden, er mee wachten totdat men zichzelf in het leven en sterven Christus' eigendom mag weten? Nee!! Ook hier geldt Zijn Woord: „dit moest men doen en het andere niet nalaten."
God bindt deze roeping op het hart, Hij verstoort daarmee onze egoïstische rust. Maar wij kennen meer waarde toe aan óns kunnen dan aan.... het Woord van God.
Paulus zegt „ik schaam mij het Evangelie van Christus niet". Waarom niet? Op grond van zijn rijke bevinding, op grond van zijn vrijmoedigheid soms?
Nee, maar omdat „het is een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft" (Rom. 1 : 16).
Door de Geest van Christus is Paulus overtuigd van de overmacht van het Evangelie. Dit „zich niet schamen" is iets, dat bij het Evangelie past. Men kan en mag dit Evangelie vrijmoedig belijden, ook tegenover de machtigen en wijzen van de wereld.
Als we niet overtuigd zijn van de overmacht des Evangelies, dan zijn we ook niet vol van de Heilige Geest. „Zij nu ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich en kenden hen dat zij met Jezus geweest waren".
De anderen herkenden hen, dat zij met Jézus geweest waren. Daarop berust hun vrijmoedigheid en, dientengevolge, op hun vervuld zijn met de Geest van Jezus. Ongeleerd en eenvoudig, tóch vrijmoedig.
En de Schrift zegt tot ons „gelooft en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen." Nu hoor ik de vragen „maar hoe kom ik dan tot dat geloof? ", „hoe kom ik tot de zekerheid van dat geloof? ", enz.
In de komende artikelen hoop ik ook deze vragen met Gods hulp te beantwoorden. Het zijn tere vragen, die met name opkomen als Christus' roeping tot getuigen ernstig genomen wordt. Vaa nature nemen we onszelf, dus óns kunnen, zéér ernstig, zelfs té ernstig. Dit komt omdat we niet voor het Woord beven. Alléén door Gods genade kan e* zal dit veranderen, komt er een hartelijk leedwezen dat we Hem ook door deze zonde vertoornd hebben. We denken te klein van God en te groot van onszelf!!
Lezer(es), de omgang met de buitenstaanden is een veelomvattende zaak. Het is mijn plan om deze artikelen met persoonlijke praktijkvoorbeelden te verduidelijken. Maar het is mij liever dat u me van dit plan afbrengt door er zelf een paar te leveren. Dit is wellicht ook leerzamer; graag kom ik op de hoogt© van uw persoonlijke vragen of moeilijkheden op dit terrein. Schrijft u me via de administratie van dit blad? Bij voorbaat zeer hartelijk dank!!
1 ) prof. dr H. Kraemer, „Het vergeten ambt in de Kerk", 1960 pag. 122, 178;
2 ) prof. dr J. H, Bavinck, „Alzo wies het Woord", 1960 pag. 159.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1963
Daniel | 8 Pagina's