De Heere hoorde!
„Deze ellendige riep en de Heere hoorde." (Ps. 34 : 7)
Er zijn helaas zo vele mensen, die niet tot de ellendigen behoren. Het is toch zo waar wat Ledeboer op grond van Gods Woord getuigt: „dat het onze grootste ellende is, dat wij onze ellende niet gevoelen." Wij zijn zo rijk en verrijkt en weten niet dat wij arm en ellendig zijn, jammerlijk, blind en naakt.
En dat alles door onze bondsbreuk. Dan wordt er ook niet geroepen en dan volgt er ook geen gebedsverhoring.
„Deze ellendige riep." Als het licht des Heiligen Geestes u gegeven wordt, dan maakt dat licht openbaar in welke zonden en ellenden gij verzonken ligt. Dan ziet ge, hoe groot uw zonden en ellenden zijn en wordt ge het gewaar aan al die ellenden, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen te zijn.
Wonder van Gods vrijmacht. Ge giat dan uit de diepte roepen. Ge roept, en waarom? Omdat God u van eeuwigheid heeft geroepen. Gij gaat met ernst roepen, ge roept aanhoudend. Gij roept uit de diepten tot de hemel, waar God woont. Deze God heeft voor ellendigen een luisterend oor. Waarom? Omdat Hij dat wil tot verheerlijking van Zijn eeuwige souvereiniteit.
„En de Heere hoorde." De Heere hoorde naar het geschrei van Zijn volk in het diensthuis van Egypte. De Heere hoorde naar het gekerm Zijner ellendigen in de ballingschap van Babel. „Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen die droomden." De Heere hoort ook nu. Dat is Zijn belofte voor Zijn kerk. „De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar daar is geen; hun tong versmacht van dorst, Ik de Heere zal ze verhoren, Ik de God Israëls zal ze niet verlaten." En wat de Heere belooft, dat maakt Hij waar. Ja, door het onmogelijke heen. Op Zijn tijd en op Zijn wijze. Ook als gij het niet kunt bezien of geloven.
Deze ellendige.... wie zijn deze? Lezer, ik hoop dat gij het zijt, dat gij het mocht worden op deze dag, in dit ogenblik dat gij het leest. Dat klinkt u mogelijk wel in de oren als een vreemde wens, die gij zo moeilijk verstaat, waarvan ge de draagwijdte niet inziet. Maar niettemin kan er voor u niets beters zijn dan dat ge niets anders zijt dan „een ellendige."
Deze ellendige riep. Hoort maar eens: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!" En de Heere hoorde. O, wonder van Gods vrijmachtig welbehagen in Christus. Hij hoort enkel in Christus.
Buiten Christus is het omkomen. De Heere hoort als wij denken voor eeuwig verloren te gaan. De Heere hoort in Hem, Die het opneemt voor Zijn volk, de ellendigen.
De Heere hoort als gij als een goddeloze voor Gods recht staat. Welk een rijkdom voor Gods volk, als Hij hen toespreekt en zij het mogen horen: „Komt dan en laat ons tezamen richten; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol."
„Deze ellendige riep en de Heere hoorde." Als wij niet tot dat ellendige volk behoren, gaan wij voor eeuwig verloren. Dan is het eeuwige ellende. O wonder, het is nog de tijd van het heden der genade. Vraag toch veel om te mogen roepen. Als gij in deze woorden uw eigen levenservaring beschreven vindt, dan is het een vrijmachtig wonder. Dan zult gij veel te vertellen hebben dat het een wonder was, dat de Heere in uw leven kwam en een eeuwig wonder als ge er ooit zult komen. Dan zult ge wel eens mogen roemen in de barmhartigheden van een ontfermend God en Vader; dan zult ge danken voor het offer van de rijke Christus, dan zult ge de blijdschap melden van een beweldadigde zondaarsziel.
„Komt, hoort toe, o gij allen die God vreest; en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1963
Daniel | 8 Pagina's