Lichaam en ziel
Dhr. P. J. te M. schrijft:
„U schreef in de laatste Daniël in de rubriek „Als het getij verloopt...." over de Doperse beweging, die gelooft dat het lichaam maar overbodige ballast is en het eigenlijk alleen op de geest aankomt. Deze opvatting is, meen ik, dualistisch, d.w.z. dat lichaam en ziel twee geheel afzonderlijke dingen zijn, die weliswaar op aarde gecombineerd worden. Als ik echter de Heidelbergse Catechismus opsla, dan lees ik dat wij moeten strijden behalve tegen de duivel ook tegen „ons eigen boze vlees". Mijns inziens is dit een zuiver dualistische opvatting, die bovengenoemde dopersen ook aanhingen, en waar Luther en Calvijn zich bij de dopersen tegen verzetten. Toch geloof ik, dat Calvijn en Luther zich achter de Heidelbergse Catechismus geschaard hadden, als ze die gekend hadden. Kunt u hier misschien eens op in gaan?
Een andere vraag heb ik naar aanleiding van de opmerking van Kohlbrügge, die u in hetzelfde stuk citeerde: „De gelovige troost zich niet met eigen wedergeboorte, maar met de eeuwige trouw en erbarming van God".
Ik krijg vaak sterk de indruk dat de mens centraal staat bij de bekering, wat naar mijn mening anti-Bijbels is. Ik geloof pertinent dat bij de bekering God centraal staat, wat trouwens uit bovengenoemd citaat van Kohlbrügge ook wel naar voren komt.
De bekeerling zal, dacht ik, God lief gaan hebben boven alles en de naaste als zichzelf, al zal hij in dezen op aarde nog niet volmaakt worden.
Het is me ook opgevallen dat een bepaalde groep bekeerde(? ) mensen in doen en laten enorm mystisch zijn en vaak liefdeloos voor de naasten. Ik vind dit in strijd met Gods Woord. Mystiek is volgens mij daarom onbijbels, omdat het in principe pantheïstisch is en de Bijbel is toch duidelijk monotheïstisch." Wilt u ook hier iets over zeggen? "
De doperse beweging bracht een scheiding aan tussen ziel en lichaam, terwijl Gods Woorcl ze van elkaar onderscheidt, dus niet scheidt. De mens is niet alleen lichaam, maar ook levende ziel. De ziel is dus niet een bepaald onderdeel van de mens; de Schrift zegt b.v.: uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen" (Deut. 10 : 22). In de Schrift wordt het woord „ziel" in de grondtekst weergegeven met „roeach" en „nèfèsj", d.w.z. „ademtocht", „levensadem." Gen. 2 : 7 zegt „in zijn neusgaten geblazen de adem des levens, alzó werd de mens tot een levende ziel."
En als de Catechismus, in navolging van de Schrift, over ons boze vlees spreekt (52e zondag), bedoelt ze daarmee ons bestaan, inzover dit zich niet aan Gods Wet onderwerpt. En met dit verzet heeft én het lichaam én de ziel te maken; vandaar Paulus' noodkreet: „maar ik bén vleselijk, verkocht onder de zonde."
De Catechismus mag dus niet van dualisme beschuldigd worden, in die zin dat zij lichaam en ziel zou scheiden. Voor het tegendeel leze men antwoord 57 maar eens! Wat betreft het 2e gedeelte van bovenstaande brief, het volgende.
De mystiek, opgevat als de verborgen omgang met God, is zuiver Bijbels. Wie deze niet kent, kent ook de God en Vader van onze Heere Jezus Christus niet! Het geloof is n.1. geen wereld-of levensbeschouwing, maar een verhouding tot cle levende God waarbij ik met huid en haar, met het gehele hart, betrokken ben. En dit niet alleen in cle binnenkamer, maar óók in m'n werk, ontspanning, kerkgang, enz.
Wie dan ook zegt wél met z'n verstand te geloven, maar niet met z'n hart, maakt zich schuldig aan de meest geraffineerde vorm van ongeloof. Immers, „wie niet voor Mij is, is tégen Mij"! Door het geloof leren we eerst onze zonden, de duivelse aanvechtingen, enz. kennen én ook de Bevrijder van zonde, duivel en dood. Daarom jubelt Paulus: „niet meer ik, maar Christus leeft in mij."
Hemelbestormerij en leven uit de Geest
Als ik door het geloof mijn ontzaggelijke verlorenheid leer kennen, poog ik (helaas!) mezelf te redden door me in allerlei bochten te wringen: wettisch leven, zoeken van bevinding óm de bevinding, enz.
Maar de Heilige Geest rust niet voordat ik ook dit doen en laten als zonde tegen Gocl leer kennen, als een poging om aan Zijn verlossende werk te ontkomen! Dan merk ik dat ik niet alleen zonden doe, maar dat ik zonde ben in m'n pogingen om in cle hemel op te klimmen of in de afgrond neer te dalen. Want „nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart." Het Woord, dat mij wijst op Jezus Christus, Die uit de hemel neergedaald is in de afgrond van Godverlatenheid, reeds voordat ik geboren werd.
Dan breekt de Geest mijn trotse zelfhandhaving, mijn hemelbestormerij, en hoor ik in het Woord van God uit Christus' mond: „Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven."
Dan zak ik door al mijn bevindingen heen en leer ik alléén roemen in de eeuwige trouw en ontferming van de Vader, in Jezus Christus door de Geest aan !goddelozen ongevraagd bewezen. Dan sta „ik" niet meer centraal, maar dan is het „Christ avant tout" (Christus boven alles) en vervolgens mijn naasten.
De Catechismus noemt de bekering van de mens: een afsterving van de oude en een opstanding van de nieuwe mens, m.a.w. „een hoe langer hoe meer haten en vlieden van de zonden" en „lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te wandelen."
Dus de bekering is ook heiligmaking. De vrucht des Geestes is dan ook héél konkreet en heeft alles te maken met mijn verhouding tot de naaste. Immers, deze vrucht is „liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid" (Gal. 5 : 22). Wilt u weten of de Geest in u woont? Wel, toetst u zichzelf dan aan deze kenmerken! Als ik zeg tot God bekeerd te zijn, en de vrucht des Geestes ontbreekt in m'n leven, dan geldt het vlijmscherpe Woord Gods: Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt en onrecht doet, zo zal aan al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht dat hij doet, daarin zal hij sterven" (Ez. 33 : 13).
Daarom schreef Calvijn:
„Laat ons dus niet ophouden het hierop toe te leggen, dat wij voortdurend iets vorderen op de weg des Heeren, en niet de moed laten zinken vanwege de geringheid der vordering. Want ook al beantwoordt de vordei'ing niet aan onze wens, toch is de moeite niet verloren, wanneer de dag van heden die van gisteren overtreft: laat ons slechts met oprechte eenvoudigheid zien naar ons doel, en streven naar de eindpaal, niet onszelf vleiend en strelend, en ook niet aan onze gebreken toegevend, maar in een voortdurend streven ons hierop toeleggend, dat we beter werden dan we zijn, totdat wij tot de goedheid zelf gekomen zijn; welke wij wel gedurende de ganse tijd onzes levens zoeken en najagen, maar eerst dan zullen grijpen, wanneer wij, na de zwakheid des vleses afgelegd te hebben, tot haar volle gemeenschap zullen zijn aangenomen".*)
Mysticisme
Er is helaas ook een valse mystiek, „mysticisme" genoemd. Hierin streeft de mens naar éénwording met God, zónder het Woord, zónder Christus en zónder de gemeenschap der heiligen.
Dit mysticisme gaat soms zover, dat het de liefde tot cle naaste uitdrukkelijk uitsluit van de hoogste volmaaktheid. Zo schrijft de middeleeuwse mysticist Johannes van 't Kruis:
„Zolang de ziel de toestand van eenheid niet heeft bereikt waarvan ik spreek, is het goed dat zij zich oefent in liefde zowel in de daadwerkelijke als in de beschouwende liefde. Doch wanneer zij eenmaal zover is gekomen, is het niet gepast dat zij zich bezig houdt met andere werken of met uitwendige oefeningen, die een belemmering kunnen zijn voor haar liefdeleven met God; en daarvan zonder ik zelfs niet uit die werken welke van het grootste belang zijn voor de dienst van God" 2 )
Sinds de zondeval willen wij niet langer schepsel van God zijn; nee, wij willen als God zijn. Daarom „weg met het Woord, weg met Christus, weg met Zijn kerk!!; door in God te verzinken, worden we Hem gelijk!".
We willen in de hemel opklimmen, omdat we de historische feiten van Jezus' geboorte, sterven en opstanding op aarde voor onszelf, als het er op aankomt, van nul en generlei waarde achten.
We willen niet rusten in het volbrachte werk van Christus; we willen zélf de zaligheid „veroveren", al gaat dit dan ook ten koste van de naaste.
En dwars door deze goddeloosheid heen weerklinkt de oproep: Laat u met God verzoenen!
') Institutie Bk. III, Hfdst. VI, par. 5;
-) Canticles, 2e Red., str. 28.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1963
Daniel | 8 Pagina's