De doperse beweging
Zoals we in het vorige artikel zagen, stelde de doperse beweging (evenals Plato) een tweespalt tussen stof en geest, lichaam en ziel. De onsterfelijke ziel was volgens hen „het eigenlijke", en het lichaam maar ballast. Deze opvatting voerde o.a. tot naaktloperij en andere seksuele uitspattingen.
Luther, Zwingli en Calvijn hebben de strijd aangebonden tegen deze, uit de r.k. kerk afkomstige, beweging.
Volgens deze beweging tracht de geest (ook de H. Geest) de stof opzij te schuiven. Want hoe zou de Geest Zich ooit aan de stof kunnen binden?
Volgens hen poogt Hij het uitwendige (tenslotte elke vorm) opzij te schuiven om Zich dan op onhoorbare, onzichtbare (recht geestelijke) manier te openbaren. Er is dan een uitwendig en een inwendig, onhoorbaar (recht geestelijk) Woord.
Het gezag en de waarheid van het Schriftwoord liggen volgens hen dus niet allereerst in het Woord zelf, omdat het het Woord des HEEREN is. Nee, hoe zou nu ooit een uitwendig Woord kracht kunnen bezitten om Zijn waarheid en geestelijke oorsprong te bewijzen? Alléén de Geest doet ons verstaan, dat een uitwendig woord waar is en van Godswege tot ons komt. Want volgens hen heeft de Geest Zichzelf niet gebonden aan het Schriftwoord. Hij wordt onafhankelijk van het uitwendige woord meegedeeld. Maar.... wat betekent dan het getuigenis: „want het Woord Gods is levend en krachtig, enz."? Bij hen is het Woord dus van ondergeschikte betekenis; het maakt slechts openbaar wat reeds inwendig aanwezig is; het doet slechts uitkomen wat er door Gods Geest binnen in de mens (los van het Woord) gewerkt is; het spreekt slechts uit, wat er eigenlijk al in het mensenhart geschreven staat.
Een innerlijke stem of een alles overstelpend gevoel is het eigenlijke; het Woord zelf is maar een „dode letter". Het gevoel komt in cle plaats van het geloof. De merktekenen vervingen bij hen het geschreven Woord Gods. In hun geschriften ziet men vaak een zoeken van bevinding óm de genieting van die bevinding, en niet om het genieten van de gemeenschap met de Heere Jezus. Als men zichzelf — in goddeloze hoogmoed! — zo boven de Schrift stelt, dan maakt men in feite natuurlijk alle gebruik van de Schrift waardeloos.
Aan Luther en Calvijn die zich — tegenover hen — op cle Schrift zélf beriepen, werd dan ook door hen verschillende malen toegevoegd: „gij mist de Geest, ge werpt u maar met uw verstand op dat uitwendige woord; ge knabbelt aan cle dode letter".
Als men de doperse geschriften nog eens naleest, dan wordt men pijnlijk getroffen door de, bijna feilloze, zekerheid waarmee zij meenden te kunnen en te moeten oordelen over de geestelijke staat van hun naasten. In deze zekerheid werden zij helaas niet geschokt door de Schrift, die ons hiertoe niet in staat én niet bevoegd verklaart (Matth. 7 : 1, 1 Kor. 2 : 11) Calvijn merkte dan ook terecht op: De Kerk oordeelt niet over het innerlijk."
Ook Schortinghuis had het te kwaad met deze beweging en hij schreef; dat het hen: „manqueert aan een Geest der beschydenheit, wijsheid, sagtmoedigheicl en liefde omtrent hun naasten; wat al meesteragtigheid en heersugt." Zij plaatsten zichzelf dus niet alleen boven het Woord, maar ook boven hun naasten.
Heilsfeiten en wereïdmijding
De heilsfeiten (Jezus' geboorte, dood en opstanding) verkregen bij hen zelfs een uitwendig karakter, en waren daarom eigenlijk maar van ondergeschikte betekenis. Christus' geboorte in Bethlehem trad op de achtergrond, omdat Hij reeds in de ziel was geboren.
En waarom de uitwendige sakramenten (Doop en Avondmaal)? En waarom het uitwendige Avondmaal als Christus met de Zijnen avondmaal houdt in het binnenste?
Zij plaatsten zichzelf dus ook min of meer reeds boven de heilsfeiten en de sakramenten.
Christus, Die alléén door het geloof kan worden aangehangen, werd zo meer en meer vervangen door de innerlijke genade, die men niet door het geloof maar onmiddellijk bezitten zou. Men behoefde praktisch niet meer als goddeloze door het geloof gerechtvaardigd te worden, nee: men werd tot Gods kind verklaard op grond van de innerlijke genade, die ingestort zou zijn. Evenals de r.k. kerk, met haar „gratia infusa", kenden dus ook zij een in cle ziel ingestorte genade; dit in onderscheid met de Schrift. Op deze wijze is er geen plaats meer voor het geloof en de beloften Gods, in Zijn Woord geopenbaard. Men heeft toch eigenlijk alles al, dus waarom dan nog? Zeer terecht maakte Kohlbrügge eens de (ontdekkende) opmerking: „De gelovige vertroost zich niet met eigen wedergeboorte, maar met de eeuwige trouw en erbarming Gods."
Ook poogden zij vaak cle omgang te mijden met mensen, die niet tot hun kring behoorden en met veel van wat zij als werelds zagen. Dit uitte zich soms in het dragen van afwijkende kleding en in het zitten „met een boekske in een hoekske". Vaak in de geest van „raak mij niet aan, want ik ben heiliger dan gij!" Voor de kerk achten zij iedere organisatie en vastgelegde kerkorde uit den boze. Deze leidden volgens hen, tot de uitwendige kerk. Alleen de onzichtbare kerk was volgens hen de ware kerk, het ware lichaam van Christus. En deze ware kerk is een geestelijke gemeenschap zonder vastgelegde organisatie. Haar dienaren zijn door God geroepen en worden door de Geest gedreven. Een wetenschappelijke vorming van cle dienaren des Woords, zoals Luther en Calvijn eisten, achtten zij onnodig en gevaarlijk. De ware dienaar werd volgens hen door de „innerlijke spraak des Geestes" geleid en clit maakte studie overbodig. Ja, studie zou deze innerlijke spraak zelfs kunnen doen verstommen. Zij wilden — in onderscheid met Luther en Calvijn — geen hervorming van de r.k. kerk. Neen, men moest zich losmaken van die kerk en een geestelijke broederschap vormen, die haar geestelijke geboorte en geestelijke kracht moest bewijzen in een los zijn van deze zichtbare wereld, in een onafhankelijkheid van
het hoorbare Woord en het zichtbare Sakrament.
Beoordeling
De doperse beweging als zodanig bestaat niet meer, maar wel haar geesteshouding.
Sinds de zondeval willen wij als God zijn. Wij willen, evenals Hij, bóven het geschreven Woord, bóven de sakramenten, bóven Zijn zichtbare Kerk, bóven Zijn schepsel (de naaste), bóven Zijn schepping staan.
Maar omdat wij van nature alleen maar (onheilig) kunnen en willen haten, kunnen en willen wij niet, zoals Hij, liefhebbend boven genoemde instellingen staan. Nee, wij gaan ze clan verachten (haten). Op dit punt zijn wij, van nature, hoofd voor hoofd dopers.
Daarom beveelt de Heere ons: „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen!" In de doperse beweging zien we helaas heel duidelijk, dat het bederf van het beste het slechtste is. Ook hier is een schip op strand een baken in zee! In het komende artikel hoop ik de beantwoording van dhr. J. de K.'s brief te voltooien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1962
Daniel | 8 Pagina's