JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Blikken in Bunyan's pelgrimsreis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Blikken in Bunyan's pelgrimsreis

4 minuten leestijd

IV

Wanneer men de Pelgrimsreis noemt, dan denkt men gewoonlijk slechts aan het eerste deel, dat de lotgevallen van Christen en zijn reisgenoten beschrijft. Toch is ook het tweede deel, de reis van Christinne en haar kinderen en metgezellen, schoon minder rijk en boeiend dan het voorafgaande, van groot belang en vaak van ontroerende tederheid. En hoewel dit referaat het eerste deel in hoofdzaak behandelt, zou het naar de mening van een belangstellende lezer niet ondienstig zijn ook op dit deel het licht te laten vallen. Wellicht is dit in een toegevoegd slotartikel mogelijk!

De klassieke woorden, waarmee de Pelgrimsreis begint luiden aldus: „Terwijl ik ging door de wildernis dezer wereld, kwam ik uit op een plaats, waar een hol was en daar legde ik mij neder om te slapen. En als ik sliep, droomde ik een droom. Ik droomde en ziet, ik zag een man."

Die man is Bunyan zelf! Zoals Gods Woord hem tekent en hij zichzelf heeft leren kennen: een mens in lompen gehuld. Een zondaar, die alle gerechtigheid mist! Gisteren nog was hij in zijn eigen ogen niet slechter dan zijn buren en nu zijn zijn ogen geopen en ziet hij zijn armoede en ellende. Hij gevoelt de last zijner zonden! Hij leest in zijn Boek, weent en siddert. Hij verhaalt aan zijn vrouw en kinderen, aan zijn vrienden en verwanten, hetgeen hem vervult, maar zij bespotten hem en menen, dat hij niet wel bij 't hoofd is.

De nacht brengt geen rust, de dag geen vertroosting; hij gaat naar buiten en blijft rusteloos dwalen. In het veld ontmoet hem een man, die Evangelist heet. Deze vermaant hem de Stad des Verderfs te ontvlieden. Hij wijst hem de richting, die hij moet inslaan en toont hem een licht, dat hem het pad naar de Enge Poort wijzen zal. Hij gaat nu op weg, want hij kan het thuis niet langer uithouden. Zijn vrouw en kinderen roepen hem tevergeefs toe toch te blijven. De buren menen, dat hij krankzinnig is geworden, zoals de wereld nog altoos doet, wanneer iemand tot God bekeerd wordt en de dienst der zonde verlaat.

Twee stadgenoten Hoofdig en Plooibaar, ook wel Halsstarrig en Gezeggelijk genoemd, trekken hem na, om hem te doen terugkeren. Hoofdig praat een wijle met hem, zoals alle wereldlingen in zo'n geval doen, maar als hij ziet, clat hij niets vordert, laat hij de verdwaasde lopen. Plooibaar, die het wel mogelijk acht, dat er iets goeds op deze weg te bereiken is, besluit met Christen mee te gaan.

Vóór ze aan de Enge Poort komen, vallen ze beiden in een gevaarlijk moeras, de Poel Moedeloosheid of Mistrouwen. Plooibaar heeft er nu genoeg van en worstelt naar de vaste wal, aan de kant van zijn vroegere woning. Hoe éér hoe liever daarheen terug!

Maar Christen blijft zich afkeren van de Stad des Verderfs en door Helper uit het moeras getrokken, vervolgt hij zijn pelgrimstocht, meer dan ooit door zijn last gedrukt. Zo zouden we door kunnen gaan en u in vogelvlucht een saamvatting kunnen geven van de gehele Pelgrimsreis, doch dit is niet de opzet van deze artikelen. We wensen slechts hier en daar een blik te slaan in deze betekenisvolle droom.

Daar staat Christen dan in lompen gehuld. Naar wereldse maatstaf gemeten was hij een voorbeeldig huisvader, maar God denkt er anders over. Hij heeft zichzelf als een zondaar, als een groot huichelaar leren kennen. Hij heeft in alles toch feitelijk zichzelf gezocht. En, o, nu hij zichzelven waarlijk gevonden heeft, nu is hij verloren, nu is hij geschrokken van zijn afschuwelijkheid en verwerpelijkheid! Enkel gebrek! Enkel melaatsheid! Lompen en nog eens lompen!

Hoe hij tot die erkentenis gekomen is? Let op het Boek, dat hij in zijn handen heeft. Dat Boek is tot hem gaan spreken, gelijk nimmer tevoren! En dat Boek is de Bijbel. Dit Boek is zijn vraagbaak en als Hoofdig hem vraagt, welke dingen hij zoekt, zegt hij: „Lees, hoe het in mijn Boek staat!" En als Plooibaar het hem lastig maakt, zegt hij: „Daarover zal ik mijn Boek naslaan!" „Weet gij niet, wat er geschreven staat? ", vraagt hij aan Formalist en Hypokriet. Hij heeft een onbepaald verhouwen in het Woord! U óók?

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1962

Daniel | 8 Pagina's

Blikken in Bunyan's pelgrimsreis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1962

Daniel | 8 Pagina's