Het laatste jaar?
(Frans Bastiaanse 1868—1947)
Niet iedereen zegt het, maar iedereen denkt het: „Wat is de zomer vlug voorbij." Er is spottend gesproken over de zomer van '62: „Het was me een zomertje wel!" Vooral zij, die in hun vakantie minder zonnige dagen kregen toebedeeld, hebben over het klimaat in Nederland gemopperd. Waarom blijven deze mensen dan in het landje van mist en regen wonen? Laat ze emigreren naar een land waar de lucht altijd mooi blauw is. Over het algemeen mopperen vakantiegangers meer over het wéér dan de boeren, die toch veel meer betrokken zijn bij zonneschijn en regen op z'n tijd. De boeren, die weten dat de weersgesteldheid zoveel af en toe kan doen aan de opbrengst van hun akkers, berusten, omdat ze weten, dat aan de weersomstandigheden niets te veranderen valt. Een roomse boer placht te zeggen: „Hij Daarboven weet wel wat goed voor ons is."
De zomer is vlug voorbij, of het nu mooi of minder mooi is geweest. En de jaren snellen heen; er is geen stilstand; zo ongemerkt gaan de dagen korten, zoals altijd, en we worden aan die kringloop zó gewend, dat het geen wonder meer voor ons is.
We maken al plannen voor een volgende zomer, maar zal er nog een zomer voor ons aanbreken? Met deze vraag zit Frans Bastiaanse in zijn gedicht. „Het laatste jaar? " Er staat een vraagteken achter de titel van het gedicht, omdat de dichter het niet weet. Toch denkt hij aan de mogelijkheid, dat het voor hem niet meer zal zijn.
Tussen licht en donker loopt de man langs de velden, die leeg gaan worden. Men is al bezig om het land te ploegen, om het weer gereed te maken voor een nieuwe oogst in een komend seizoen. Heel eenvoudig beschrijft Bastiaanse wat hij ziet en daar is deze dichter heel bedreven in:
In het uur, dat de lucht nog niet duister is, — Even vóór den nacht — Omhoog nog de laatste luister is Der verbleekte zonnepracht; Waar de wijde rust, na den blijden dag Op aarde ligt uitgespreid, Alsof zij sinds eeuwige tijden lag En zo liggen zal voor altijd;
In het uur, dat langzaam kleppende slaat Uit een stil dorp een klok, En een landman stalwaartsstappende gaat Naast het span dat de ploegschaar trok,
Loop ik te dolen door 't vredige veld, Waar de laatste schoven staan, En ik denk, hoe dit jaar is henengesneld En hoe ras een volgend zal gaan.
Wanneer we iemand op z'n eentje door de velden zien gaan, weten we niet wat zo'n mens bezig houdt. Misschien wordt hij wel als een zonderling aangezien. Bastiaanse heeft het vorig jaar het graan zien zaaien; hij heeft het zien rijpen door de zonnestralen. Zou hij ditzelfde nog eens aanschouwen? Hij weet het niet. Hij gaat het hardop overdenken. Daarom komen nu aanhalingstekens bij de volgende coupletten:
„Zag ik den trotsen zaaier niet in september over het land; Zag ik het goudgewaaier niet Van de zon, die de tarwe brandt?
Zal ik opnieuw den zaaier zien Zaaien met breed gebaar? Zal ik opnieuw den maaier zien? .... Of.... was dit het laatste jaar? "
Dan houdt het gedicht op. Het werd geschreven in het jaar 1909 en is te vinden in de bundel „Gedichten".
Wanneer we het hele gedicht rustig overlezen, liefst hardop, dan begrijpen we wat de dichter wil uitdrukken. De vraag wordt niet opgelost; dat kan ook niet. Maar die vraag houdt ons bezig. Men wordt even stil gezet. Dan liggen er voor ons geen jaren in 't verschiet, maar we worden bij het onverwacht verscheiden bepaald, wat zeer profijtelijk kan zijn.
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1962
Daniel | 8 Pagina's