Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een praatje vooraf , ,
Zoals beloofd zullen we dit keer met de nieuwe vragenserie beginnen. De vorige keer mochten jullie alle antwoorden bewaren totdat de laatste vragen gesteld waren. Nu doe ik het iets anders. Jullie moeten nu iedere keer dertig antwoorden insturen, dan geef ik ze in het volgende nummer van „Daniël" ook en dan kunnen jullie ze vergelijken. Op deze bladzijde staan 10 vragen en in de volgende nummers ook 10; als je dus na 6 weken de dertig antwoorden heb stuur je ze mij toe. Als het zo ver is waarschuw ik nog wel.
Wie mogen er nu mee doen? Nu, dat is nogal eenvoudig n.1. iedereen. Die jongens en meisjes die vorige jaren meededen, doen natuurlijk weer mee en zij, die nog niet meededen, doen nu wel mee, zodat er nu honderden mee doen. Afgesproken? Op de landdag van volgend jaar hoop ik dan veel boeken te kunnen uitdelen. Sommigen van jullie zeggen misschien wel: „Ik heb steeds meegedaan en nog nooit iets gewonnen; ik houd er mee op." Nu, dat mag je niet zeggen. Het gaat toch om het spel en niet om de knikkers. Als je nu al wist dat je een boek won, zou de spanning er uit zijn. Hier komen dan:
De eerste tien.
1. Hoe heette de dochter van Aja, Sauls vrouw?
2. David en Jonathan spraken af, dat ze elkaar zouden ont-
moeten bij de steen....
3. Wie roofden de kemelen van Job?
4. Welke koning zei: „Heb ik aan razenden gebrek? "
5. Bij welk badwater lag de achtendertigjarige kranke?
6. Wie was de moordenaar van Gedalia? (Jer.)
7. Wie is als een koek, die niet is omgekeerd? (Hosea).
8. Hoe heette de dochter van Absalom?
9. Hoe heette de getrouwe leraar in Kolosse?
10. Wie wilde en mocht zijn wijngaard niet verkopen?
De beginletters van de antwoorden vormen de naam van mensen, die geen wijn wilden drinken en in tenten woonden. (De letter h ontbreekt).
Ik ben erg blij dat vriend Potappel uit Rotterdam weer zijn medewerking toegezegd heeft en de vragen wil opstellen. Dat spaart voor mij veel tijd. Hartelijk dank, vr. Potappel, in de herfstvakantie kom ik U opzoeken.
Nu volgt een opstel over:
De vijf wijze en de vijf dwaze maagden
De Heere Jezus heeft in de laatste dagen van Zijn omwandelingen op de aarde ook deze gelijkenis verteld. Op een avond gingen tien maagden op weg om de bruidegom tegemoet te gaan. Het was de gewoonte in het oosten, dat iedereen op zo'n bruiloft mocht komen, maar dan moest men een brandende lamp bij zich hebben. Deze tien maagden waren vroeg genoeg op stap gegaan, maar de bruidegom vertoefde te komen. Daar ze zo lang moesten wachten, waren ze in slaap gevallen.
Van deze tien maagden waren er vijf wijs en vijf dwaas. Die vijf wijzen hadden nog een kruik reserve olie meegenomen; die vijf dommen hadden gedacht, dat ze wel genoeg zouden hebben. Nu slapen ze alle tien. Maar dan opeens worden ze wakker door het gejuich: „De bruidegom komt!" De vijf dwaze maagden doen nieuwe olie in hun lamp, maar bij de vijf dwazen is de olie op. Zij zeggen tegen de anderen: „Geef ons een beetje van jullie olie? " „Neen, " zeggen die wijzen; „want dan hebben wij niet genoeg, ga liever olie kopen." Daar gaan die dwaze maagden; ze gaan olie kopen. Maar waar zullen ze olie kunnen krijgen? Het is immers nacht. Ze kunnen ze dan ook nergens kopen. En daarom moeten wij altijd maar zorgen, dat we olie in onze vaten hebben. Ze gaan terug, zonder olie, om te vragen of ze toch binnen mogen komen. Als ze er aankomen roepen ze: „Laat ons toch ook binnen!" En dan krijgen ze ten antwoord: „Ik ken u niet." Dan moeten ze terug in de buitenste duisternis. Wat vreselijk! Hadden ze maar tijdig voor olie gezorgd; nu is het voor altijd te laat. Maar wat bedoelt de Heere Jezus eigenlijk met deze gelijkenis? Wel, de tien maagden leken veel op elkaar, ze sliepen allemaal. Toch was er een groot verschil. Vijf vreesden de Heere en vijf vreesden de Heere niet.
Piet van Dijke — Scherpenisse.
Dat heb je mooi naverteld Piet. Je schreef me erbij dat daar kort geleden de dominee over gesproken had. Nu, dan heb jij goed geluisterd, hoor! Heb jij voldoende olie in je vaatje, Piet? Er veel om vragen, hoor!
De laatste vier coupletten van:
De Bijbelklok
Slaat de klok negen, gedenk dan mede Hoe Christus heeft geleden Aan 't kruis ter negende uur. Negen melaatsen ondankbaar waren Toen Jezus hen hielp uit doodsgevaren, Gelijk wij lezen in de schriftuur.
Slaat de klok tien; het is van node Dat wij doen naar de tien geboden, Die God eens gaf aan Israël. Tien plagen in Egypte waren. Tien zonen Jacobs koren haalden Al in die hongertijd, zo fel.
Slaat de klok elf naar behoren, Elf sterren, telde Jozef, die voor hem Neigden en ook zon en maan. Jezus ging ter elfder ure Arbeiders in de wijngaard huren En liet hen dus niet ledig staan.
Slaat de klok twaalf naar behoren, Twaalf zonen heeft Jacob verkoren, Twaalf uren zijn er in een dag. Twaalf apostelen had de Heere En die zich richten naar hun leere Men zeer gelukkig noemen mag.
Hoewel er heel aardige dingen in dit gedicht staan vind ik het, eerlijk gezegd, niet bijzonder mooi. Je zou het beter een gerijmel kunnen noemen; hoewel het rijm hier en daar wel erg gedwongen is. Daar kan jij ook niets aan doen hoor, Gert; ik ben blij dat je geregeld iets opstuurt. De ene keer is de keus nu eenmaal beter dan de andere keer. De bladvullingen die je me laatst stuurde, hoop ik goed te gebruiken; die zul je wel tegenkomen in de loop van het jaar. Daar ik geen enkel vrij opstel meer heb, gaan we nu weer verder met
Gustaaf Adolf (II)
Bij alle plichten en zorgen voor zijn land vergat de jonge koning zijn godsdienstplichten niet. Nee, niet dat hij er mee te koop liep, maar uit alles bleek, dat er in zijn hart een ware en levendige godsvrucht woonde. Nooit verzuimde hij zijn morgen-en avondgebed, veel las hij in zijn Bijbel. Zo was hij een voorbeeld voor anderen en zelfs de ruwste soldaat durfde in zijn nabijheid niet te vloeken of te lasteren. Was hij zelf zeer ijverig, hij eiste het van een ander ook. Toen hij eens in de winter vestingwerken bezocht, zag hij dat een officier maar weinig uitvoerde bij het schansgraven. Hij wees de officier er op om harder te werken.
Deze verontschuldigde zich met de opmerking, dat de grond te hard bevroren was. De koning antwoordde daarop met een bekend Zweeds spreekwoord: „Voor luie zwijnen is de grond altijd bevroren."
Aan zijn ijver paarde hij grote eenvoud. Eenvoud in kleding en in voedsel. Maar als hij bij sommige gelegenheden als koning moest optreden, dan was hij een vorst in al zijn schitterende pracht. In de oorlog was hij een dapper krijgsman, steeds daar te vinden waar de strijd het felst woedde; dan was hij soldaat met de soldaten. Trots ontbrak hem ten enenmale; hij ging gewoon met iedereen om en voor ieder had hij een vriendelijk woord. Het kon dan ook niet anders of vriend, maar ook vijand, had achting voor deze koning. Zelfs de paus van Rome noemde hem „de grootste vorst der wereld."
Naast al z'n goede eigenschappen had hij ook kwade. De meest kwade was wel z'n drift. Dan deed hij soms dingen, waar hij later veel spijt van had. In het leger van Gustaaf Adolf diende eens een Schots edelman, Seaton, die eens een kleine fout beging. De koning deed hem de hevigste verwijten, doch Seaton verdedigde zich. De koning werd zo boos, dat hij Seaton, voor het front der troepen, een slag om de oren gaf. Deze belediging was groot en Seaton diende dan ook ogenblikkelijk zijn ontslag in en vertrok. Gustaaf Adolf zag in dat hij fout geweest was en had berouw over zijn daad. Hij nam twee van zijn officieren
(Zie vervolg op pag. 64)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1962
Daniel | 8 Pagina's