Meditatie
En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord en mijn knecht zal genezen worden." (Matth. 8 : 8)
Het spreekwoord zegt: Leringen wekken, maar voorbeelden trekken. Mochten we door de hoofdman als een navolgenswaardig voorbeeld worden aangetrokken. Dat is vooral in deze tijd zo nodig. Er zijn vele hete hoofden en koude harten. Men rookt aan eigen netten en offert aan eigen garen.
De Heere Jezus zette eenmaal een kindeke te midden van grote twistende mannen en zeide: „Indien gij u niet verandert en wordt gelijk dit kindeke, gij kunt het koninkrijk Gods geenszins ingaan."
Temidden van een vrome wereld, vol mensen die alle vormen van wellevendheid hebben uitgeschud, wijst Gods Woord in Mattheüs 8 naar een sympathieke persoonlijkheid. Hij is geen gewoon burger maar een militair. Hij beschouwt zijn onderhorigen niet als nummers, maar als mensen. Voor een kranke knecht neemt hij de toevlucht tot de grote Medicijnmeester. Volgens Lucas 7 was die man stervende. Zelf durfde hij niet naderen tot Davids Zoon en Davids Heere.
De ouderlingen voor wie de hoofdman een synagoge liet bouwen zijn hem terwille om zijn verzoek over te brengen. Als wettische mensen die steeds met de maatstok van de wet lopen zeggen zij: „Hij is waardig, want hij heeft ons volk lief." De hoofdman zelf denkt daar anders over en zegt dat hij onwaardig is. Aan het verzoek wordt voldaan en de Heere ging terstond naar het huis van de hoofdman. Nu raakt de hoofdman in grote verlegenheid. Sions Koning, die zich geen tempel Zijner waardig kon heten, die de hemel der hemelen niet kan bevatten, voor wie de heilige engelen hun aangezichten moeten bedekken, blijkt bereidwillig te zijn om zijn knecht te genezen, ja zelfs een bezoek te brengen in zijn woning. Terstond zendt hij enige vrienden om dat te verhinderen.
Heere neemt de moeite niet.
Tegenover de grootheid en goedheid van Christus gevoelt hij zijn geringheid en nietigheid. O, als we ver van God leven, wat gevoelen we ons dan groot en voornaam. Natuurlijk verbergen we dat achter kruiperige nederigheid. Maar we kunnen gelukkig de alwetende God niet bedriegen.
Hij slaat, ofschoon oneindig hoog, Op hen het oog, Die necFrig knielen, Maar ziet van ver met gramschap aan, De ijdele waan, Der trotse zielen.
De hoofdman heeft een verheven karakter. Daardoor is hij zo aantrekkelijk. Daarom stellen wij hem vooral in deze tijd tot een navolgenswaardig voorbeeld. Ook is hij een man met een nederige geest, die een afkeer heeft van kruiperigheid. Uit zijn woord spreekt de man die gewoon is te commanderen. Een bevel en zijn krijgsknechten gehoorzamen. Toch is hij zelf maar een mens die weer onder de macht van anderen staat. Heere, Gebieder van hemel en aarde, spreek slechts één woord en mijn knecht is genezen. Hij leidt de sterren in hun baan en bestiert wat de paden der zeeën doorwandelt. Voor Hem moet zelfs de koning der verschrikking zijn prooi loslaten. Neen het is niet nodig, dat Hij onder het dak van een heidense hoofdman komt. Eén woord, een commando en clan moeten de krankheden wijken. Er is geen tegenstrijdigheid in de Evangelieën. Mattheüs ziet het zakelijk en Lucas beschrijft het duidelijk. In Kapernaüm heeft Christus de meeste wonderen gedaan. De hoofdman heeft dat gehoord en staat in betrekking tot de joodse godsdienst. Hij heeft een groot geloof. De Heere verwondert zich er over. Zelfs in Israël heeft Hij zulk een geloof niet gevonden. Een groot geloof heeft kleine gedachten van zichzelf en grote gedachten van de Heere. De dichter roept uit:
Hoe groot, hoe vreeslijk zijt Ge alom, Uit Uw verheven heiligdom, Aanbiddelijk Opperwezen.
De hoofdman heeft niet alleen een verheven karakter, een nederige geest, maar
ook een machtig geloof. Wat ons vooral aantrekt is, dat hij een man van gezag is en ook het gezag eerbiedigt. Hij kan zeggen tot de ene ga en hij gaat, en tot de andere kom en hij komt. Tegelijk zegt hij, dat hij toch maar een mens is, die onder de macht van anderen staat. Daarmede buigt hij onder het gezag van Hem, Die alle macht bezit in hemel en op aarde. Daarom is dit woord tegelijk een ernstige waarschuwing om niet voort te gaan op wandelwegen, die ons afvoeren van het gezag van Gods Woord, van de ootmoed van Gods arme volk en bovenal van Hem, van Wien Groen van Prinsterer heeft gezegd: „De gehoorzaamheid aan God, is de grond en de grens van alle ware gehoorzaamheid."
De Heere geve genade om laag te bukken tot de grond, en steeds te denken aan het verheven karakter, de nederige geest en het machtige geloof van de hoofdman over honderd.
Die stoiit zijn op Juin macht,
Heeft Hij versmaad, veracht,
Gestoten van de tronen;
Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed,
Waarin Zijn Geest will wonen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1962
Daniel | 8 Pagina's