JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een bladzijde voor en van onze jeugd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bladzijde voor en van onze jeugd

EEN PRAATJE VOORAF.

8 minuten leestijd

Een dezer dagen kreeg ik een uitnodiging om de 5e jaarvergadering van de K.V. in Leiden bij te wonen. Helaas kon ik hier niet aan voldoen, de afstand Dirksland—Leiden is te groot om even een avondje over te wippen. De K.V. van Leiden draagt een mooie naam n.1. „Mijn zoon, geef Mij uw hart". Deze naam, jonge Leidse vrienden, houdt een ernstig verzoek in; ja, ik zou het ook een dwingende eis kunnen noemen. Denken jullie wel eens aan die naam? Als dat zo is, dan zullen jullie wel veel bidden: „Heere, mag ik U mijn hart geven? Wilt U me bekeren? " Ik wens jullie nog van harte geluk met jullie eerste lustrum en ik hoop, dat jullie vereniging tal van jaren mag blijven bestaan om de Leidse jeugd te wijzen op het enige nodige. Jullie uitnodiging ziet er prima verzorgd uit. Weet je wat ik zo leuk vind? Wel, die foto met dat gedicht eronder. Ik mag het toch wel aan de anderen ook vertellen? Wel, jongelui, op die foto zie je een groepje knapen bezig met handenarbeid. De één zit te zagen, de ander te pitrieten enz. Het gedicht er onder luidt:

Wat U daar ziet gebeuren, Is heel niet af te keuren. Een aantal jongens bij elkaar, Om zo, al knuts'lend, met elkaar Een band te vormen.

Wij hebben ons gesteld tot taak Gods Woord te onderzoeken; En doen daarnaast, tot ons vermaak, Dit werk. Komt U ons eens bezoeken? Wij stellen het wel zeer op prijs.

U ziet een prettige bedrijvigheid, Wij vinden tevens veel gezelligheid, Uw jongens blijven daardoor van de straat. Het is toch niet uw zoon Die nog niet ingeschreven staat?

Wij werken hier met bamboe, rotan en met klei, Weer anderen met triplex, touw of riet. Kwam jij ook tot op heden niet? Kom ook! Er kunnen best wat jongens bij. 's Zaterdags van 3.45-5.15 is 't verenigingsuur.

't Is werkelijk heel aardig verzonnen en misschien ter navolging voor andere verenigingen. We gaan nu over op een Bijbels opstel:

JONA

Jona komt een beetje schuw aan boord van een schip, dat naar Tharsis zal gaan en dat in de haven van Joppe ligt. De zeelieden kijken verwonderd naar de eenvoudig geklede man. Ze denken bij zich zelf: „Wat moet die man toch? " Zulke reizigers zijn ze op hun schip niet gewend. Maar veel tijd om er zich druk over te maken hebben ze niet, want het is tijd om te vertrekken. De wind is gunstig en weldra zijn ze een aardig eind uit de kust. De onbekende passagier zien ze echter nergens meer. Tegen de avond verandert het weer. De wind is in kracht toegenomen en overgegaan in storm. De zeelieden hebben de handen vol werk. Eerst gaat het nog wel, maar na enkele uren is er geen houden meer aan. De storm giert door de touwen en de golven slaan over dek. Elk ogenblik dreigt het schip de diepte in te gaan. De zeelui zijn heidenen en geloven, dat de god van de zee boos op hen geworden is. Een van hen heeft wellicht iets verkeerds gedaan, of is misschien die vreemdeling de oorzaak van hun nood? In hun angst bidden de zeelieden tot hun afgoden, maar het helpt niet. Vaten en kisten worden over boord gegooid om te voorkomen dat het schip zal zinken. Maar de storm houdt aan. De kapitein wekt de reiziger, die onder in het schip rustig ligt te slapen. „Sta op en help ons bidden, want wij vergaan; roep tot uw God, misschien helpt Hij ons." De vreemdeling komt boven en gaat tussen de zeelieden staan. Daar zegt iemand: „Laten we loten, opdat we weten wie van ons iets misdaan heeft tegen de goden." Ze vinden het allen goed. Er wordt geloot en het lot valt op de reiziger.

De zeelieden zien hem aan en vragen: „Wie bent U? Wat is Uw ambacht? " Dan begint de onbekende te vertellen: „Ik ben een Israëliet en ik dien de God, Die de zee en de aarde gemaakt heeft. Ik heb kwaad gedaan en het is mijn schuld, dat gij nu in nood zijt". Als de zeelieden dat horen, zeggen ze: „Wat moeten wij doen, opdat de zee stil worde? " De onbekende zegt: „Als gij mij over boord werpt zal de zee stil worden". De zeelieden willen dit niet direct doen, ze proberen nog eens uit alle macht het schip te redden, maar het lukt niet. Dan nemen ze de reiziger op en werpen hem in zee en de zeelieden zien hem niet meer terug. De man, die ze in zee geworpen hebben is de profeet Jona, die naar Ninevé moest om daar de mensen op te wekken, niet meer te zondigen.

Jona wilde echter niet en was gevlucht. God is overal en wist ook waar Hij Jona kon vinden. Nu is hij in zee geworpen en de zee is stil geworden. Is Jona verdronken? Nee, een grote vis heeft hem opgeslokt. Drie dagen en drie nachten zit Jona in de buik van de vis en daar bidt hij tot God. Hij is nu niet onwillig meer en de vis spuwt hem op het strand uit. Nu gaat hij een lange reis maken naar de grote stad Ninevé. Eindelijk komt hij er aan. Ninevé is een zondige stad, de mensen vrezen de Heere niet. Jona loopt door de straten van de stad en brengt zijn goddelijke boodschap: „Nog veertig dagen en Ninevé zal worden omgekeerd, de stad zal worden verwoest."

De mensen luisteren met grote belangstelling naar de vreemdeling, die deze ontzettende boodschap brengt. Ook de koning van de stad hoort het sombere bericht. Hij legt zijn koninklijke kleren af en toont diep berouw over zijn verkeerde daden. Hij laat herauten door de stad trekken om alle mensen op te roepen om niet te eten en te drinken, maar tot God te bidden en te smeken om vergeving. Jona is, nadat hij zijn boodschap gebracht heeft, de stad uitgegaan om daar te wachten tot de stad zal omgekeerd worden. Hij verheugt zich in. de ondergang van deze goddeloze stad. Jona wacht veertig dagen. Op de veertigste dag gebeurt er niets, ook deze dag gaat voorbij als altijd. Nu wordt Jona boos. Is zijn werk nu voor niets geweest? Heeft hij hiervoor die lange reis gemaakt? Hij zou liever willen sterven. Jona moet nog veel leren en God zal hem een les geven. Kort bij hem begint plotseling een boompje te groeien. Het groeit zo hard, dat Jona er al spoedig onder schuilen kan tegen de brandende zon. De profeet is heel blij met deze boom. De volgende dag gaat de boom verdorren en is hij weer even snel verdwenen als hij gekomen is. Een worm, die aan de wortel vreet en de zon hebben hun werk gedaan. Jona is nu boos over het verdwijnen van de boom. „Waarom moet ik die nu weer missen, " zegt hij. „Jona, waarom ben je nu zo boos? " vraagt de Heere. „Ja" is het antwoord van Jona, „waarom moet die boom doodgaan." „Ge treurt om een wonderboom, die ge niet hebt laten groeien, maar de stad met die duizenden mensen en veel vee, zoudt ge willen vernietigen? " Jona is beschaamd en keert terug naar zijn land. Hij weet nu, dat God zoveel liefde heeft, dat Hij zelfs de dieren spaart. O, God heeft meer liefde dan hij. Hij schaamt zich diep. Zo komt hij uit het heidenland terug in Israël, waar de mensen veel vaker door God zijn gewaarschuwd, maar nooit hebben willen luisteren.

Mien Slabbekoorn — Wolf aartsdijk

Dat is een heel eind, Mien. Ik had je opstel eerst in tweeën willen delen, maar je hebt het zo keurig verteld, dat ik me maar bedacht heb en het in eens plaats. Bedankt en tot schrijvens. We gaan nu nog even naar

DE PLAATS WAAR WE WONEN.

VEENENDAAL

Vijf eeuwen geleden lag er in de Gelderse Vallei, op de grens van Utrecht en Gelderland een moerassig veengebied. De Utrechtse bisschop David liet hier het veen afgraven. Ongeveer een eeuw later was in het veengebied een dorp ontstaan, Veenendaal geheten. Nu loopt om het dorp een vaart, Bisschop Davidsgrift geheten. Veenendaal is uitgegroeid tot een belangrijke industrieplaats. Belangrijke fabrieken zijn er o.a. van Scheepjeswol, de Leidse Wolspinnerij, Frisia en Hollandia voor textiel en twee sigarenfabrieken n.1. Panter en Ritmeester. De laatstgenoemde fabriek heeft eind augustus het vijfenzeventigjarig bestaan gevierd. Veenendaal is ook een zeer godsdienstige plaats; er zijn verschillende richtingen. Ook is er een Ger. Gemeente, maar erg klein. Ik vind het heel jammer dat er geen knapenvereniging is, hoewel er wel andere verenigingen zijn. Voor 1960 was Veenendaal in tweeën gesplitst n.1. Veenendaal en Gelders Veenendaal. Ik woonde in het laatste gedeelte, dat toen bij de gemeente Ede behoorde. Gert van Stempvoort.

Zo Gert, jij komt je naam nog al eens tegen in „Daniël". Ja, dat komt, omdat jij me dikwijls ietsi stuurt. Het laatste gedeelte van de Bijbelklok bewaren we maar voor de volgende keer. Onze bladzijde raakt weer vol, jongelui. De volgende keer beginnen we aan de nieuwe vragenserie. Stuur me eens wat op-

C. de Bode - Dirksland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1962

Daniel | 8 Pagina's

Een bladzijde voor en van onze jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1962

Daniel | 8 Pagina's