Van die Heere afgebeden
Het is in de herfst van het jaar 1731. In het huis van bakker Schwartz in het stadje Sonnenburg aan de Oder in Duitsland is het droevig gesteld. De vrouw van Schwartz ligt op haar sterven; er is geen hoop meer op beterschap, en het zal zeer kort meer duren. Gelukkig is de stervende niet zonder hoop op de toekomst. Zij stond bekend als een godzalige vrouw, en als dit waarlijk het geval is, dan is cle dood slechts een overgang naar de gewesten van eeuwige zaligheid, om altijd bij de Heere te zijn. Van die hoop heeft vrouw Schwartz al meer gesproken, maar nu heeft ze het over haar zoontje van vijf jaar, Christiaan Frederik, die algemeen bij zijn tweede naam werd genoemd. De stervende moeder probeert zich nog verstaanbaar te maken. De omstanders luisteren scherp toe: cle laatste woorden van een stervende kunnen zoveel waarde hebben.
„Mijn lief kind Frederik, " zegt ze, „heb ik vanaf zijn geboorte aan de Heere overgegeven. Ik heb hem van de Heere afgebeden toen zijn broertje zo vroeg stierf. Beloof me toch dat die belofte van mij zal vervuld worden. Spoor het kind toch aan om te studeren in cle godgeleerdheid. Help hem daar bij en verhinder het niet...."
Het is stil in de kamer. Vader Schwartz, met tranen in cle ogen, zegt, dat hij alles zal doen met Frederik wat in zijn vermogen ligt. Hij zal zijn kind die studie telkens voor ogen houden.
„Nu kan ik rustig sterven, " zegt zacht cle moeder van Frederik.
Een poosje later is zij niet meer. Op zesjarige leeftijd wordt Frederik naar de stadsschool gebracht. Zijn vader heeft hem alles verteld wat zijn moeder hem heeft doen beloven. Het had diepe indruk gemaakt op het jeugdige gemoed van het kind.
Het hoofd van de school, Helm, was een goede leermeester. Hij ging niet mee met de stroom uit die tijd, die ervan uitging, dat Christus een goed, braaf mens was geweest en voor ons een voorbeeld moest zijn ter navolging. Helm wees zijn leerlingen er op, dat het nodig was om wedergeboren te worden om het Koninkrijk Gods te mogen zien; dat men Christus alleen door het ware geloof kon deelachtig worden. Met woord en daad ging Helm zijn leerlingen in het goede voor.
Het onderwijs liet Frederik niet onberoerd. Zijn vader had het wel opgemerkt. Op een keer had hij geluisterd aan de
deur van het zolderkamertje waar zijn zoon sliep. Tot zijn grote blijdschap had hij gehoord hoe Frederik in kinderlijke eenvoud en ernst tot God bad.
Wat was het een groot gemis toen Helm cle school ging verlaten! De opvolger was zo gans anders, en vader Schwartz kon niet anders doen dan zijn zoon over te geven aan de Heere, Die kon maken dat het goede zaad, door Helm gestrooid, niet zou verstikken.
Toen de school in Sonnenburg doorlopen was, bracht vader Schwartz zijn zoon naar het gymnasium te Küstrin. Veel kon de vader niet aan zijn zoon geven, want hij was arm. Dat ging met de andere jongens uit Sonnenburg beter, die ook naar het gymnasium moesten. Deze hadden welgestelde ouders en daardoor konden die jonge heren vrolijk en prachtig leven, zonder over het minste zorgen te maken. Studeren kostte geld en dat ontbrak maar al te zeer bij Frederik Schwartz. Die moet zijn kostje maar op zien te zoeken. Het gebeurde vaak, dat hij 's middags op etenstijd maar wat door de stad slenterde inplaats van te eten. Dat moest wel opgemerkt worden. En nu ging het net als bij Luther: medelijdende mensen nodigden hem uit om te komen eten. Bij cle een mocht hij een paar keer per week komen eten en bij een ander ook enkele keren en bij wethouder Kern mocht hij privaatles aan diens dochtertje geven, wat hem twintig gulden per jaar opleverde en eens per week een warme maaltijd. In de lichamelijke nood werd dus voorzien. Er waren echter ook andere noden. De duivel zat niet stil. Hij kende de zwakke plekken van Frederik en die probeerde hij aan te vallen, om cle jongeman te doen struikelen en als" het kon te doen mislukken.
Op het einde van het eerste halfjaar werd er een examen afgelegd. Frederik slaagde met lof en kreeg zelfs een prijs. Opgetogen vertelde hij het vader, toen hij met vakantie naar huis was gekomen. Vader keek het getuigschrift in en zag ook de mooie prijs. Geen wonder dat cle man verblijd was, maar.... zag hij misschien gevaar dreigen? Men zou het haast denken, want toen Frederik weer naar Küstrin vertrok, sprak vader Schwartz: „Jongen, wees op je hoede, dat niet de duivel je tot hoogmoed aanzet. Blijf nederig en laag bij de grond."
Helaas, die vermaning kon niet veel meer uitrichten, want Frederik was al flink door hoogmoed aangetast. Hoe meer hij geprezen werd, des te meer begon hij zich te voelen. De voorzichtige wandel ging minderen en zachtjesaan volgde de jeugdige Schwartz de andere studenten op cle weg der zonde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1962
Daniel | 8 Pagina's