HENOCH
„Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg." (Gen. 5 : 24)
Het lijkt wel een waagstuk, om in deze — aan ware godsvrucht zo arme tijd te gaan schrijven over Henoch, een bijzondere man die geleefd heeft in een bijzondere tijd.
Toch kan het om twee redenen nuttig en profijtelijk zijn.
Genesis vijf laat ons een blik slaan in een vreselijke tijd, die aan de beruchte dagen van Noach voorafgingen.
Ondanks die bange tijden houdt God Zijn werk in stand en laat ons in Henoch Zijn werk duidelijk zien.
Neen, we gaan geen krans vlechten om de slapen van deze patriarch, want hij was een mens van gelijke beweging als wij. Even verdoemelijk en verwerpelijk als elk Adams-kind.
Paulus zegt van de Bijbelheiligen: „volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling."
Het geloof is een gave Gods en een gewrocht van de Heiligmakende Geest. Niet voor wat Henoch was en deed, vragen we uw aandacht, maar voor werk des geloofs. het
Daarom letten we even op zijn wandel met God en zijn wegneming door God. Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. De wandel van Henoch is een wandel door het geloof. We moeten er dan ook op letten dat God niet met Henoch, maar dat Henoch met God wandelde.
Wel mogen we zijn wegneming zien als een Godsdaad, waarbij echter het werk des geloofs niet mag worden uitgeschakeld.
In Hebr. 11 zegt Paulus dat hij door het geloof is weggenomen geweest.
Dus in zijn wandel en in zijn wegneming is lïenoch gelovig werkzaam geweest.
Op deze grote wereldakker staat tweeërlei zaad te rijpen voor de zomer van het gericht.
Er is een voortgaand proces.
De zonde wordt rijp en de genade wordt rijp.
De tarwe voor de hemelse schuur en de druiven voor de wijnpersbak van Gods toorn.
De geschiedenis van de eerste wereld is een voorspel van wat aan het einde der eeuwen zal plaats grijpen.
In Henoch, de zevende van Adam uit de heilige linie van Seth bereikt de godzaligheid als het ware een hoogtepunt. In Lamech de zevende van Adam uit de onheilige linie van Kaïn bereikt de goddeloosheid haar hoogtepunt.
Hij bedrijft de zonde en verheerlijkt de zonde. Als we uit de grijze oudheid de eerbiedwaardige gestalte van Henoch, wiens naam betekent „de Gewijde", zien oprijzen dan bedekken we verlegen ons aangezicht.
Toch is Henoch een navolgenswaardig voorbeeld.
Gods ware volk strekt zich uit naar dat ideaal. In beginsel leren zij daar wat van kennen.
In zijn Philippenzen-brief zegt Paulus: „Onze wandel is in de hemelen." Dit woord „wandel" heeft de betekenis van „burgerschap". Gods kinderen zijn van Boven geboren.
Hun domicilie is in de hemel.
Daarom is het nodig dat hun wandel, hun levensopenbaring met die hoge geboorte niet in strijd is. „Zullen twee tezamen wandelen, tenzij zij bijeen gekomen zijn" zegt de profeet Amos.
Van nature is er een grote onoverbrugbare afstand tussen God en de mens.
Die afstand moeten we leren kennen en betreuren. Er wordt veel over het Verbond geredeneerd en getheologiseerd maar er wordt weinig uit het Verbond geleefd.
Hoewel het een voorrecht is dat wij met onze kinderen onder de bediening van het Verbond leven en het teken en zegel van dat Verbond dragen, alleen in de weg van wedergeboorte worden we het wezen des Verbonds deelachtig.
Dan leren we verstaan dat in dat Verbond twee ongelijke partijen één zijn door de bediening van Christus, de Middelaar des Verbonds.
Dan worden we, om met ons kostelijk Doopsformulier te spreken, vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, n.1. dat wij deze Enige God, Vader,
Zoon en Heilige Geest aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen.
Neen Henoch was geen kluizenaar, die in vrome wijding zich aan het leven onttrok, want hij gewon zonen en docliteren.
Door het geloof mocht hij de Heere aangrijpen in Zijn sterkte en ervaren wat Asaf ervaren mocht toen hij zong: „Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna in heerlijkheid opnemen."
Gods levende volk bereikt niet de hoogte van Henoch en Asaf, maar in beginsel leren zij iets van die wandel kennen. Wij hebben maar iets kunnen aanstippen.
Zij Henoch ons een navolgenswaardig voorbeeld. Opene de Heere bovenal onze ogen voor Hem, voor wie zelfs Henoch in de schaduw wordt gesteld.
Geve de Heere ons allen behoefte aan de wederbarende kracht en de bediening van de Geest van Christus opdat het voor ons waarheid worde: „God zal Zelf zijn leidsman wezen, leren hoe hij wandelen moet".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1962
Daniel | 8 Pagina's