OOGST
I.
II.
De landman staat bij d' akker vol van aren en snijdt met scherpe sikkel 't rijpe graan, dat bevend buigt wanneer de winden gaan: een witte zee van rusteloze baren.
Hij heeft gewerkt zoals in alle jaren; de prille lente gaf de zaaitijd aan; hij liet 't gewas in zon en regen staan; het gras werd graan . . . hij kan het niet verklaren.
Nu buigt hij neer en snijdt en snijdt en snijdt, hij ziet geen zon in blauwe heerlijkheid, en achter hem vergroot het aantal schoven.
En als de dorpsklok roept voor H middagmaal, dan snerpt de sikkel nog een laatste luial, en kijkt de landman voor het eerst naar Boven.
Machines maken 't graanveld tot woestijn, zwaar grommend gaan ze door het rijpe koren, wat voor de messen^ komt is plots verloren, want niets ontziet de zwoegende combein.
Bij 't groot gevaarte zijn de mannen klein, ze moeten roepen om te kunnen horen, en alles gaat de dorpse rust verstoren; vanavond zal het veld vol stoppels zijn.
Wij oogsten zonder sikkel, zeis of zicht, ons voertuig is als dorsvloer ingericht, de wagens voeren 't graan de silo binnen.
Als 't donkert helpt een felle lampeschijn, wij zullen verder onafhankelijk zijn waar blijft de korte tijd van stil bezinnen?
M. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1962
Daniel | 8 Pagina's