JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Stichtelijk met veel gebreken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijk met veel gebreken

7 minuten leestijd

J. H. R. Verboom: „Rondom de kansel van Benthuizen. Gedocumenteerd verhaal over het leven van Ds. L. G. C. Ledeboer en het ontstaan van het dorp Benthuizen." N.V. Drukkerij-Uitgeverij „De Bcmier", Utrecht, 1962. 224 blz., geb. ƒ 9, 75.

Weldra zal het honderd jaar geleden zijn dat Ledeboer gestorven is. Dit feit is aanleiding voor „De Banier" geweest om met een boek „Rondom de kansel van Benthuizen" op de markt te komen. De schrijver daarvan zegt in zijn „Verantwoording" dat het geen wetenschappelijke, diep-teologische uiteenzetting geworden is. Zijn doel was enkel de herinnering aan Ledeboer öf te verlevendigen öf levendig te houden. Voorheen was men voor kennis van het leven en de werkzaamheden van de meest bekende pastor van Benthuizen aangewezen op het goed en sympatiek geschreven boek van Landwehr, waaruit Verboom nogal wat overneemt. Dit boek is niet gemakkelijk meer te verkrijgen, en dus was het een goed idee van „De Banier" om ter vervanging daarvan met een ander, nieuwer boek te komen. Helaas is Landwehr echter door Verboom niet wat men noemt een overbodigheid geworden. Natuurlijk, het is alles door Verboom heel goed bedoeld. Hij heeft zijn lezers willen stichten met dit levensoverzicht. En inderdaad, van Ledeboer ging ondanks zijn gebreken stichting uit. Daarom is het goed zich weer eens op zijn leven en zijn daden te bezinnen. Maar het is te betreuren dat dit alles zo gebrekkig en welhaast kritiekloos aangeboden wordt.

De opzet van dit boek kon dadelijk al moeilijk anders dan tot een mislukking leiden. Om de gedachtenis van Ledeboer in ere te doen houden is het uiteraard niet nodig alles te gaan spuien wat men weieens over de gemeente van Benthuizen heeft gehoord. Schrijver heeft dit, tot zijn schade, toch gedaan, en blijkbaar welbewust: de ondertitel wijst daarop! En Ledeboer èn het ontstaan van 't dorp Benthuizen. Maar Ledeboer heeft met ontstaan en opkomst van het dorp waarin hij later woonde absoluut niets uit te staan. Hier wordt gekombineerd wat met fatsoen niet valt te kombineren. 't Gevolg is dat er van een goede kompositie weinig overblijft. Om Ledeboer te leren kennen kan men hoofdstuk een tot zeven, desnoods hoofdstuk acht ook nog, volledig missen. Maar schrijver denkt daar anders over. Er zijn plaatsen in zijn boek waar hij zich wat betreft de kompositie nader uitspreekt, b.v. blz. 17. Daar krijgt de lezer een opsommerij van ambachtsheren van Benthuizen te verteren die beslist geen zin heeft. Anders zou, aldus de schrijver, de geschiedenis van Ledeboer toch niet kompleet zijn? De dwaasheid van dit argument is duidelijk: wat heeft het met Ledeboer te maken wie er eeuwen voor zijn tijd en wie er na zijn dood nog ambachtsheren in Benthuizen waren? Afgezien nog daarvan is de lezer met zo'n dorre opsomming al niet gebaat.

Een ander overzicht was niet geheel misplaatst geweest, wanneer de schrijver er iets van gemaakt had: de opsomming der predikanten van Benthuizen die Verboom in hoofdstuk acht ten beste geeft. Zo'n opsomming kan, als men er iets levendigs van maakt, op onderhoudende manier het kerkelijk verleden en daardoor de ligging der betreffende gemeente tekenen. Verboom volstaat weer met een dorre lijst. Welke lezer zegt het wat indien hij zonder meer verneemt dat in Benthuizen dominee van der Kemp van 1724 tot 1726 predikant geweest is? Wel zou het menig lezer wat gezegd hebben, wanneer hij had vernomen dat deze Van der Kemp aldaar door Holtius, de zo bekende vriend van Comrie, werd bevestigd, en dat hij een zoon was

van de onder ons nog zeer bekende Van der Kemp wiens katechismuspreken nog door velen worden gewaardeerd. Maar dergelijke feiten, die aan een verhaal wat fleurigheid verlenen, laat schrijver nu juist onvermeld.

Telkens blijkt dat schrijver eigenlijk niet weet wat hij in zijn verhaal moet opnemen of weglaten. Als hij in hoofdstuk zevenentwintig toegekomen is aan de beschrijving van de tijd die Ledeboer in de gevangenis in Leiden doorgebracht heeft, scheept hij de lezer op met een historisch overzicht van de gevangenisgebouwen daar vanaf de Middeleeuwen. Wat schiet men daar mee op? En over andere gegevens, die juist zeer typerend zijn voor Ledeboer, rept schrijver met geen woord. Zo is bekend dat Ledeboer in 1842 het grootste deel van zijn partikuliere boekerij verkopen liet. Men kan hierover heel verschillend oordelen en heeft dat ook gedaan. Om een rechtvaardig oordeel uit te kunnen spreken zou men moeten weten welke boeken toen verkocht zijn, en welke er pas na zijn dood ter veiling kwamen. In elk geval is dit een punt waaraan de biograaf van Ledeboer niet mag voorbijgaan. Landwehr schrijft er op sympatieke wijze over. Verboom roert zelfs de zaak niet aan!

Niet alleen de kompositie is gebrekkig, ook de stijl. Schrijver meent elk ogenblik iets stichtelijks te moeten zeggen. En het is maar weinigen gegeven vaak iets stichtelijks te kunnen zeggen dat dan ook nog stichtend is. Zo komt Verboom helaas tot de maar al te zeer bekende dwaasheid van het onnadenkend aan elkaar rijgen van lang versleten stichtelijke zinnen, met het gevolg dat dan het beeld onzuiver wordt. Men zie de beeldspraak aan het eind van hoofdstuk tien, waar schrijver tarwegranen ondersteunen laat van onder eeuwig' armen. Elders wordt op misselijke wijze — want te onpas — een of andere tirade er ter „stichting" bijgesleept. Zo op het eind van hoofdstuk elf, waar wordt verteld dat Ledeboer zich later andermaal verdiepte in de oude talen, „maar wel het meeste in de oudste en de beste taal, en dat is de tale Kanaans". Een flauwe opmerking, om van de juistheid of onjuistheid ervan nog niet eens te spreken!

En wat te zeggen van de taal van deze schrijver? De werkwoordsvormen van de tegenwoordige en de verleden tijd vindt men doorlopend wonderlijk dooreengemengd. Het aantal door elkaar gegooide uitdrukkingen, kontaminaties van het soort dat niet toelaatbaar is, is nogal groot. Een tweetal plaatsen ten bewijze: blz. 153, r. 16, vindt men: „uit zijn ambt geschorst"; blz. 156, r. 9 van onderen: hij „behoorde ook tot één van" hen. Er is meer. „Prijsde", blz. 153, r. 6, voor „prees" is wel hèèl erg. Of is dit als literaire vondst bedoeld? In dat geval zou het er toch een zijn waarvoor men geen waardering hebben kan. Minder erg, maar toch niet goed is „risiko", r. 10 van onderen op blz. 27 en ook verderop. Het monsterlijke woord „gebijteld", blz. 31, laatste regel, is waarschijnlijk wel een drukfout. Op blz. 218, in de laatste regel, staat het goed. Over de transkriptie van het brieffragment dat, tegelijk met die transkriptie, tegenover bladzij 49 is gegeven, zou ook nog het een en ander zijn te zeggen. Maar men kan niet alles aanstippen.

Was het niet goed geweest voor deze biograaf wat kritischer ten aanzien van zijn held te zijn? Enkel in de laatste hoofdstukken ontmoet men iets dat naar kritiek zweemt. Kritiek was op zijn plaats geweest op blz. 104, in 't hoofdstuk over het begraven van 't gezangboek en de kerkelijke wetten, waar schrijver zegt dat Ledeboer pas 's zaterdags begon te werken aan zijn preek voor zondagmorgen. Kritiek was op zijn plaats geweest in hoofdstuk eenentwintig, waar Ledeboer, als hij niet meer in de Hervormde Kerk mag preken, de mensen toeroept: „Wie mij liefheeft, volge mij!" Meer kritiek was op zijn plaats geweest, in hoofdstuk achtentwintig bij de bespreking van de wijze waarop Ledeboer zijn preken in elkaar zette. Enzovoort. Het zou vervelend worden om zo door te gaan.

Merkwaardig is wat schrijver zegt op blz. 33, r. 9 en 10: „toen Bonifacius allang te Dokkum door Radboud was vermoord." Men weet van Radboud niet zo veel. Het schijnt een man geweest te zijn die wel het een en ander durfde. Maar dat hij kans gezien zou hebben vijfendertig jaren na zijn dood nog Bonifacius te Dokkum te vermoorden, is niet erg aannemelijk! Nu nog een aantal kleine fouten. Blz. 50, r. 9: de Remonstratie is niet van 1600, maar van 1610. Blz. 37, r. 7: de bekende schrijver van de „Historie der Reformatie" is niet J., maar G. (want Geeraert) Brandt. Blz. 69, r. 11, staat „Van der Bogaert", wat „Van den Bogaert" wezen moet. Op blz. 103, r. 8 en 17 van onderen: „de bekende Zeeuwse predikant J. H. Budding", kan sprake van een drukfout zijn. De naam komt verderop in 't boek nog éénmaal voor — op blz. 181 — en daar in de juiste vorm: H. J.

Tenslotte dus een waardeloze uitgave? Dat ook weer niet. Men zal vele bladzijs met genoegen lezen. En het is momenteel het enige geschrift dat over Ledeboer te krijgen is. Maar de gebreken van dit werk zijn niet gering! De illustraties, eindelijk, zijn alleraardigst, de druk is heel behoorlijk, alleen de band is wel wat saai.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1962

Daniel | 8 Pagina's

Stichtelijk met veel gebreken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1962

Daniel | 8 Pagina's