Een bladzijde voor en van onze jeugd
Ulrich Zwingli
Op 1 januari 1484 werd Ulrich Zwingli geboren in het kleine plaatsje Wildhaus. Hij trok eerst als gewoon veehoeder de alpenweiden in. Later bleek dat hij goed en graag studeerde. Eerst ging hij naar Bazel, daarna naar Bern en vervolgens bezocht hij de universiteit in Wenen. Op achttienjarige leeftijd was hij onderwijzer te Bazel. In zijn vrije tijd studeerde hij verder. Hij was een ijverig leerling van Erasmus. Ongeveer die zelfde tijd leerde hij Wittenbach kennen, die les gaf in grieks en latijn. Samen lazen ze veel in de heilige schrift. Zwingli merkte al spoedig dat de Roomse kerk veel dwalingen had. Toch verliet hij die kerk niet, neen, hij wilde de kerk verbeteren, een hervorming van binnenuit. In 1506 werd hij priester in Clarus. Na twee jaar vertrok hij naar Einsiedlen in de Alpen. Het dorpskerkje had bij de ingang een opschrift: „Hier vindt men volkomen vergeving van zonden, beide van schuld en van straf." Maar Zwingli preekte: Alleen Christus en niet Maria is ons enig heil. De relikwieën, die daar zorgvuldig bewaard werden, liet hij begraven. Hij gaf de mensen Gods woord te lezen. Natuurlijk werd hij tegengewerkt door de priesters; maar vele mensen werden de ogen geopend voor de dwalingen der Roomse kerk. Slechts drie jaar blijft hij in Einsiedlen, dan vertrekt hij naar Zürich. In de domkerk betreedt hij de kansel. Toch is Zwingli in die dagen nog geen hervormer, hoewel hij het lang niet met alles in de kerk eens is. In 1519 breekt de vreselijke pestziekte in Zwitserland uit. Na enige tijd wordt ook Zwingli door de vreselijke ziekte aangetast en verkeert spoedig in levensgevaar. Dan zoekt hij zijn toevlucht niet bij Maria, maar bij Jezus alleen. De Heere verhoort zijn gebed en hij herstelt. Nu heeft hij opnieuw de kracht van Gods woord aan zijn ziel ervaren en meer dan tevoren preekt hij het evangelie. In 1524 treedt hij in het huwelijk met Anna Reinhard, een jonge weduwe uit de adelstand. In 1531 woedt een hevige strijd tussen Rooms en Protestant. Ook Zwingli trekt ten strijde. Midden in het strijdgewoel buigt Zwingli zich over een stervende om hem bij te staan; dan wordt hij aan het hoofd gewond door een steen en hij valt bewusteloos neer. Als het avond geworden is sluipen enige Roomse soldaten het slagveld op om te plunderen. Zij vinden Zwingli, die, hoewel zwaar gewond, nog leeft. „Wilt ge een priester", vragen ze hem; doch Zwingli schudt het hoofd. „Roep Maria en de heiligen aan, " zeggen ze hem. Weer schudt hij het hoofd: „Sterf dan ketter, " bijten ze hem toe en een zwaardsteek maakt een eind aan zijn leven. Ze hebben zijn lichaam in vieren gedeeld en verbrand en de as verstrooid. Hij was nog geen 48 jaar oud. Gods wegen zijn wonderlijk en niet te doorgronden.
Jan van 't Hul — Elden
Goed Jan, een mooi opstel. In de kerkgeschiedenis zijn bekende personen genoeg te vinden om een verhaal over te schrijven. Je gaat vanavond zeker weer aan de slag. Nu, 'k verwacht je brief hoor.
ELIA'S GOD
Elia's God, die wond'ren doet. En Israël, Zijn volk, behoedt En draagt op Zijne vlerken! Die hoge woont en lage ziet Op 't geen in eigen oog is niet En wacht op 's Heeren werken.
Elia's God leeft nog omhoog, Ofschoon beneên ook voor het oog, Dat God alleen verwachten Blijft, ook als er gene lichtstraal is, Ja zelfs in dikke duisternis, In 'd' allerzwaarste nachten.
Elia's God, Hij sluimert niet, Ofschoon geen ongeloof het ziet, Verduisterd in zijn treden! Doch, die uit diepe slaap ontwaakt, Uit liefde tot Hem biddend naakt, Betoont Hij dat nog heden.
Elia's God droogt de Jordaan, Opdat z' er droog doorhenen gaan, Zijn wonderen aanschouwen. Hij maakt het bitter water zoet En spijst Zijn volk in overvloed, Die vast op Hem betrouwen. Hij voedt hen in de hongersnood Met hemelspijs en wonderbrood En drenkt hen uit Zijn beke! Of voedt hen met een wondermeel En olie, met een rijklijk deel In 's vijands dorre streken.
Niets is die God te wonderlijk, In al Zijn doen en laten rijk, Van wijsheid en van machte; Van liefd' en medelijdendheid, Van innige barmhartigheid En sterk in al Zijn krachten.
Ds. Ledeboer.
Bram Bregman houdt veel van de gedichten van Ds. Ledeboer, geloof ik. Hij heeft me er tenminste al meer gestuurd. Nu Bram, ik vind ze ook ook mooi, hoor! Stuur ze maar gerust.
De inneming van 's Hertogenbosch
Het is rustig in de legerplaats, de één ligt te luieren in het gras, de ander zit rustig zijn pijpje te roken. In de verte rommelt af en toe een kanonschot, maar dat heeft niets te betekenen. Enkele soldaten zitten te mopperen, omdat ze geoefend hebben. Maar nu weten jullie nog niet waar die legerplaats is en bij welke stad. Wel, die legerplaats is bij 's Hertogenbosch. Prins Maurits is pas geleden gestorven en nu is zijn broer Frederik Hendrik stadhouder. De mensen hadden gezegd: , , 's Hertogenbosch is onneembaar." Maar Frederik Hendrik had gezegd: „Dat zullen we dan wel eens zien." Maar weet je waarom 's Hertogenbosch zo moeilijk in te nemen was? Rondom de stad lagen allemaal moerassen. Frederik Hendrik had echter een knap man opgezocht, namelijk Leeghwater. Deze had al verschillende meren drooggemalen. Leeghwater had eens diep nagedacht en toen gezegd: „U moet eens beginnen om een groot kanaal om het moeras te graven en dan zetten we overal watermolentjes en pompen het water dan in het kanaal; nu kan een ander leger ons ook niet in de rug aanvallen." Zo gezegd, zo gedaan. Ze hebben net zo lang gepompt tot het droog was. Op een dag komt in de verte een ruiter aan. Zijn gezicht staat erg somber. Hij wordt direct naar de tent van Frederik Hendrik gebracht en daar vertelt hij hoe een Spaans en een Duits leger het land binnengevallen zijn en rovend en plunderend het land doortrekken. Amersfoort hebben ze al ingenomen en nu trekken ze naar Amsterdam op. De Staten hebben gevraagd of de prins met zijn ieger wil komen. Frederik Hendrik denkt eens goed na, maar dan zegt hij vastbesloten: „Nee, laat de mannen bij elkaar roepen, jong en oud, en probeer je daar maar mee te verdedigen." Dan gaat de boodschapper weg.
Door de donkere nacht sluipt behoedzaam een man met een Nederlandse vlag onder zijn kleren verborgen. Ondertussen is er een bres in de muur geschoten; daar is al hevig gevochten en zijn er aan beide kanten doden gevallen. De man sluipt behoedzaam verder; de schildwachten merken niets. Op een dag komt er weer een ruiter naar het leger toe, maar die z'n gezicht staat vrolijk. Hij wordt ook dadelijk naar de tent van Frederik Hendrik gebracht en hij vertelt daar hoe een troepje Hollanders naar Wezel is getrokken, de opslagplaats van de Spanjaarden, en hoe ze daar geprobeerd hebben Wezel in te nemen en hoe één van hun eigen soldaten de ketting van de brug stukgeschoten heeft en zo hebben ze Wezel ingenomen. Daar valt de prins op zijn knieën en zegt: „Dit is niet een daad van mensen, maar dit is een daad van God. Welke aanvoerder zou dit in deze tijd doen? Bijna toch niemand? "
Als de strijd om Den Bosch weer ontbrand is, klinkt er opeens gejuich in het Hollandse leger. De Spaanse soldaten horen het en kijken verwonderd rond. Dan zien ze opeens dat de Hollandse vlag van de Sint Janskerk wappert. Ze denken dat een deel van het leger de stad binnengevallen is. Dan klinkt een trompet, het teken dat ze zich overgeven. En weet je, wie die vlag op de toren geplant heeft? Wel, die man, die toen 's nachts de stad binnensloop.
Piet van Dijke — Scherpenisse.
De vorige keer heb ik je zolang laten wachten, Piet, dat je de moed al ging verliezen. Maar nu staat je opstel er dan toch spoedig in. Is het nu goed? Vlugger kan toch niet.
Allemaal de hartelijke groeten, jongelui!
C. DE BODE — Pr. Bernhardlaan 27, Dirksland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1962
Daniel | 8 Pagina's