Gods wraak over al zijn vijanden
DE VIJANDEN GODS (22)
Het voortgaand proces der zonde, waar we de laatste maal over gesproken hebben, vindt zijn voleinding in de komst van de Anti-Christ, de mens der zonde. Satan, de oorzaak en bewerker van de zonde, rust niet, voordat hij als het ware, alle zonden belichaamd heeft in één mens, die op een geweldige en buitengewone wijze zal laten zien, waartoe de macht der zonde in staat is.
Naar Zijn almacht gerekend had God allang alle zonden van de aardbodem kunnen verdelgen en had Hij reeds in het Paradijs de Satan gebonden in de hel kunnen werpen. Maar de Heere dwingt de Satan niet door Zijn macht, doch laat hem begaan, om daardoor de rechtvaardigheid van zijn veroordeling des te sprekender te maken. Eerst als de Satan alle kracht en macht ingespannen heeft om de Heere en Zijn Christus tegen te staan, en de zonde haar meest schrikkelijke aard heeft laten zien, zal de Heere tussenbeide komen met Zijn oordeel.
Die eindperiode van de mens der zonde zal een vreselijke wezen. Alsdan zal er
aan goddeloosheid dingen gezien worden, waarvan wij nu nog het flauwste vermoeden niet hebben. De Anti-Christ zal wonderen verrichten, die zelfs de uitverkorenen verbaasd zullen doen staan. Hij zal de wereld regeren op een wijze, dat bijna iedereen in hem de redder der mensheid ziet. Maar hij zal er een systeem op na houden, dat al verder van God en Zijn gebod afvoert en waarbij ten laatste geen plaats meer zijn zal voor een oprecht belijder van Christus. Honger^ en ontbering, vervolging en marteling, gebrek en dood zal het lot van Gods kinderen worden. Als die dagen niet verkort werden, om der uitverkorenen wil, geen vlees zou behouden worden!
En zo vertoont ons het wereldverloop — vanaf het Paradijs tot op de jongste dag — een droef beeld van de vreselijke werking der zonde en der Gode-vijandige machten, maar.... éénmaal zal er aan die tegenstand tegen God en Zijn Gezalfde een einde komen. De overwinning zal niet aan de vijanden, maar aan God zelf zijn!
De wereldgeschiedenis geeft reeds een wereldgericht te zien. Telkens grijpt de Heere in om de macht der zonde te tomen, of de daden der zonden te straffen en de afgodische volkeren te tuchtigen. Maar dat alles is slechts een voorspel van het grote eindgericht, dat aanstaande is. Die Grote Dag — de dag der wrake onzes Gods — nadert met rasse schreden. Op die dag zal de Heere verschijnen in blinkende gerechtigheid. Het is de dag van schrik en verderf voor Gods vijanden; het is de dag van vrijmaking en jubel voor Gods kinderen; maar het is bovenal de dag van glorie voor de Hoge God en Zijn Christus! Dat laatste wordt nog al eens voorbijgezien. Men let wel op de bevrijding van Gods volk, en waant vaak, dat dit het allervoornaamste is, dat aan de ellende van Gods duurgekochte gemeente een einde komt, maar men vergeet zo vaak, dat het ook voor God zelf een dag van grote betekenis zal zijn.
Immers, reeds 6000 jaar lang heeft de Satan heerschappij op de aarde en tracht hij het werk Gods tegen te staan. Reeds 6000 jaar lang wordt God de Heilige door Zijn eigen schepselen van onrecht beticht en gelasterd vanwege vermeende onrechtvaardigheid en liefdeloosheid. Reeds 6000 jaar lang hebben de mensen een verkeerde kijk op de handelingen Gods met de wereld en met Zijn kerk. En altijd door krijgt God de schuld van alles, wat niet naar de zin des mensen is. Als we eens menselijk van God mogen spreken, dan kunnen we wel zeggen, dat de Heere sinds de schepping weinig genoegen van Zijn schepselen beleefd heeft, en dat zelfs Zijn dierbare kinderen Hem nog dagelijks verdriet aandoen.
Maar wat moet het dan wel zijn, als die dag van Gods glorie aanbreekt, en alle zonde zal worden uitgebannen, en alle vijandschap de mond gestopt, en God voor aller ogen gerechtvaardigd zal worden in Zijn wereldheerschappij!
Dat. heeft de dichter van de 104de Psalm verstaan, toen hij in heilige verrukking die gloriedag Gods aanschouwde en in het slotvers uitriep: „De zondaars zullen van de aarde verdaan worden en de goddelozen zullen niet meer zijn! Loof de Heere, mijne ziel! Hallelujah!"
Neen, deze dichter schepte niet wreedaardig een behagen in de ondergang van zijn medeschepselen, maar hij werd verteerd door een ontstuimig verlangen om een schepping te zien, die God kon grootmaken en verheerlijken als de aanbiddelijke Heerser der ganse aarde.
O, wat een dag zal dat zijn, als de Heere Zich in de verdoemenis Zijner vijanden zal verheerlijken! Als het voor aller oog en oor duidelijk zal zijn, dat Hij de Rotssteen is, in Wie het onrecht nooit bevonden werd, en dat al Zijn volk, ja zelfs Zijn vijanden zullen verkondigen, dat de Heere recht is. Ps. 92 : 16.
En als dan alle vijandschap verdwenen zal zijn, en alle boosheid verstomd zal wezen, dan zal de Heere heerlijk worden in Zijn heiligen, dan zal de schepping in zijn oorspronkelijke luister hersteld worden en God zal zijn alles en in allen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1962
Daniel | 8 Pagina's