In 't voorbijgaan
(Martien Beversluis)
Het kan zijn dat we in de vakantietijd plaatsen bezoeken, waar we nimmer waren geweest. En dan wordt alles nauwkeurig bekeken. We kunnen in onze eigen plaats direkt de toeristen kennen: ze blijven lang kijken naar een oude waterput, waar wij gewoonweg aan voorbijgaan; ze turen naar boven, naar de torenspits, waar wij niets belangrijks aan zien; ze staan stil bij een oud geveltje, dat wij als een soort bouwval hadden betiteld.
Of slaan wij op alles wat ons omringt in de vakantie óók meer acht, nu we eens niet te jakkeren hebben en we eens echt tijd hebben? Zien we dan pas hoe mooi ons dorpskerkje is, of hoe schoon ons stadje ligt, nu we er eens even stil bij kunnen staan? Wij komen dan een beetje tot ons zelf, nu we eens rust hebben en andere zaken niet in ons hoofd blijven haken; nu het vrij-zijn ons een zware last ontneemt voor een tijdje. Wat hebben we in onze drukke werktijd weinig acht geslagen op hetgeen de natuur ons laat zien, telkens weer! Wat treffen ons nu de oude bouwwerken, die we anders zo achteloos voorbij lopen! En als we er speciaal op letten, gaan die oude gebouwen ons aanspreken. Ze vertellen ons van een vergaan verleden, van komen en gaan, van groeien, bloeien en verwelken, van het verglijden van de tijden, van een bestemde tijd van alles.
Martien Beversluis heeft in „Kruisbogen" een vers geschreven, dat ons hieraan herinnert. De titel van het gedicht is „In 't voorbijgaan" en het begint aldus:
Over het stadje met kronkelstraten, langs gevels van eeuwen en eeuwen oud, viel het licht van de noen, hier grauw, daar goud, zigzag uit de regenlucht neergelaten. Wij stonden geleund aan een hoge muur. En zagen, bezaaid door wat zonnegensters, een hellend pakhuis met kleine luiken en een luifel over de onderste vensters, nog vriend'lijk en wrak van de gevel duiken.
Deze taal is duidelijk vestaanbaar; alleen zonnegensters behoeft enige verklaring. Gensters is een verouderd woord voor vonken. De zon komt niet stralend te voorschijn, maar nu en dan, tussen de wolkenflarden door, werpt ze enkele lichtstralen, die op de luiken van het oude pakhuis vallen. Bij het zien van dit gevalletje gaat de dichter onwillekeurig naar het verleden:
Wie heeft het bewoond? 't Staat leeg en open. De wind kan het achteloos doorlopen over holle zolders en duistere trappen, over roze plavuizen, waar eens misschien de hoge laarzen der kooplui stapten. Waar zijn de tonnen, de specerijen, de langgemantelden die hier stonden, de stemmen, de zon op de oliekruiken, en de ratel der karretjes over de keien? De wind en de tijd en de dood deed de ronde en heeft het verslonden.
Nog verder gaat de fantasie van de dichter. Hij ziet de kinderen spelen, de dames wandelen, en een wereld van vreugde en verdriet gaat voor hem open. Hij hoort lachen en vloeken, maar ook bidden. En dat alles is weggezonken in de eeuwigheid; alles is tot stof vergaan. Hoor maar hoe de dichter dit zegt:
Hier joelde de jeugd en pinkelde met het plankje, de bal en de bolleket. De loopwagen met de massieve wieltjes van de kinderen met hun beginnende zieltjes. En de statige joffers wier schreden weerklonken. 't Is stof en de stof is al weggezonken En links en rechts rijzen zelf de gevels, met trapjes en halzen allengs naar omhoog, gestut en voorover-geleund uit de nevels. Een volk, een wereld van vreugde en leed, en het paard dat sterk voor de koetsen schreed, en 't gelach en de vloek en al het brooddronken, met het vurigst gebed tot diezelfde God is lucht, is illusie, is weggezonken....
Als we dit alles bedenken, komt het Boek Prediker ons voor cle aandacht: „Het ene geslacht gaat en het andere komt." „Zij gaan allen naar ene plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof." En dan komt de dichter weer in het heden terecht, maar gaat bedenken, dat ook eenmaal van ons hetzelfde zal gezegd worden in cle toekomst:
Wij staan hier, wij zijn nog, wij wachten tot door onze huizen een niets zal vliên; door ónze woorden en dromen en hand'len, als waren ze nimmer geweest voordien, de onverschillige wind zal wand'len
Wanneer we hier blijven staan, is alles troosteloos. Wij weten dat de mens naar zijn eeuwig huis gaat, en alles rondom ons wijst ons hierop. Gelukkig de mens, die dit alles niet alleen overpeinst, maar die verder mag zien en geloven mag, dat er Boven vele woningen zijn, ook voor hem bereid!
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1962
Daniel | 8 Pagina's