Uw rondkijker heeft door omstandigheden
RONDKIJK
Uw rondkijker heeft door omstandigheden van ziekte bij hem thuis lange tijd verstek moeten laten gaan maar hoopt D.V. weer regelmatig deze rubriek te verzorgen. Rond kijkend is er genoeg te zien, want zowel in het binnen-als in het buitenland is het een bonte mengeling van gebeuren en zijn er veel zaken, waar de aandacht op gevestigd zou kunnen worden.
We leven nu in de tijd van de vakanties: in deze week reizen en trekken een slordige paar miljoen mensen uit ons land her-en derwaarts. Als men die „trekkers" in trein of op de boot, langs de wegen in auto's, brommers of op de fiets zo eens gadeslaat, is het hun aan te zien, dat ze er echt eens „uit" zijn. Ze zijn anders dan in het civiele leven, ook in hun uiterlijk wat de kleding betreft. Men loopt in dorp of stad, in bos of duin, dan wel eens een heer of dame tegen het lijf, van wie blijkt dat het meneer Pieterse is of juffrouw Dinges, waar je samen mee op het kantoor of in de fabriek werkt. Potsierlijk gekleed — of bijna helemaal geen kleding — dat je je er eigenlijk voor geneert en je er afmaakt met: „O, ben jij het? ik kende je zó niet!" Het gevaar is niet denkbeeldig, dat onze jongens en meisjes op vakantie zijnde, min of meer met deze dingen worden besmet: al doen we niet helemaal mee. We nemen er wat van over, „we zijn uit" en dan komt het allemaal zo nauw niet. Toch zouden wij op onze beurt ons schamen, wanneer we plotseling onze dominé of de ouderling, bij wie we op de catechisatie gaan, voor ons zagen.
Het onderscheid met de wereld, mag — en moet — óók als we op vakantie zijn, wel gezien worden. Ook in deze tegenwoordige wereld mogen we — gelijk Paulus aan Timothëus schrijft — van alle dingen die God ons rijkelijk verleent genieten; het komt echter altijd en overal op onze levensstijl aan: wel in de wereld maar niet van de wereld te zijn. Een heilige kunst om te leren beoefenen. Dat geldt niet alleen voor de kleding en voor andere uiterlijkheden, maar ook voor ons gehele levenspatroon. Ook, dat men zich niet schaamt wanneer men in een eetgelegenheid komt om een ogenblik stilte in acht te nemen en voor zijn eten te bidden en daarna te danken.
Van Prof. J. Waterink lazen wij een artikel in het Centraal Weekblad van de Geref. Kerken, die de vinger legt op de vérgaande verwaarlozing van allerlei levensvormen. Hij schrijft o.m. ook over het nalaten van bidden en danken in het openbaar. We laten er hieronder een gedeelte van volgen.
„Het is tot voor weinige jaren in onze kringen algemeen levensstijl geweest, dat wij ons er niet voor schaamden dat wij voor het eten, waar wij ook waren, in stil gebed een zegen vroegen (wanneer tenminste het hoorbaar gesproken gebed niet wel mogelijk was) en dat wij dan na de maaltijd weer dankten. Aan een tafel in een restaurant of in een restauratiewagen van de trein of de eetzaal van een schip bad een christenmens voor zijn maaltijd en dankte nadien. Sinds meer dan honderd jaar geleden plegen onze rooms-katholieke broeders en zusters dit ook te doen. Maar ik moet zeggen dat ik ook wat dat betreft een verlies aan levensstijl, aan christelijke levensstijl, moet constateren. Het is mij de laatste jaren verschillende malen overkomen, dat ik mij bekende personen in een restaurant zag binnenkomen, dat zij een maaltijd bestelden en begonnen zonder gebed.
Toen ik met een van degenen, van wie ik dit geconstateerd had en die ik goed kende, daarover eens praatte, zei hij: „och, het staat zo aanstellerig, net alsof je beter bent dan die anderen die niet bidden; en het irriteert de mensen maar; en och, een christen bidt toch altijd".
Ik zal op deze soort argumentatie nu niet breed ingaan, maar ik hoop dat je met mij de volkomen voosheid van deze argumentatie voelt. Wanneer Christus het nodig oordeelt om bij het begin van de maaltijd te bidden (al geschiedde dat dan op de wijze daar gebruikelijk) dan kunnen wij niet zeggen dat je, als je altijd bidt, voor het eten niet hoeft te bidden. En de andere argumenten zijn allemaal ontleend aan de gedachte dat wij ons bij de mensen beminnelijk moeten maken. Of wij openlijk uitkomen voor onze dienst van God doet klaarblijkelijk niet ter zake. Als ik in een restaurant stil bid voor mijn eten, dan is dat een belijdenis; dan is dat een belijdenis voor al die eters die daar zitten, dat ik geloof dat ik die spijze van God heb ontvangen en dat zonder de zegen Gods dat eten mij niet zal gedijen. Dan heb ik er niet in de eerste plaats mee te maken wat die mensen er van denken (trouwens zij denken misschien heel iets anders dan mijn opponent beweerde), maar dan heb ik er in de eerste plaats mee te maken of ik de Gever aller goede gaven de eerbied, die Hem toekomt geef en of ik dit doe ten aanschouwe van de mensen die rondom mij zitten. Ook dit is een stukje levensstijl."
je levensstijl." Tot zover Prof. Waterink. We voegen daaraan verder niets toe, we zijn het daarmee volkomen eens. Tot de volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1962
Daniel | 8 Pagina's