In God zullen wij kloeke daden doen
t' Wat is de kerk van Christus hardleers! Telkens weer moet de Heere met Zijn Woord tot haar komen om haar weer op de goede plaats te brengen en volgzaam te maken. Als er een week van werken is verstreken, moet God weer tot ons de Boodschap brengen van vrede en heil voor verlorenen. Hij moet ons bij vernieuwing stellen voor de spiegel van de Wet, opdat we als kinderen des lichts zouden wandelen en de werken der duisternis zouden schuwen.
Zo is het ook met het zendingsbevel. Het moet bij de voortduur weer levend voor ogen staan en werkelijkheid worden binnen de Kerk. Die Kerk trekt zich zo spoedig terug; ze wil de wereld vergeten, omdat ze die wereld schuwt en bang is van de verleiding die ervan uitgaat. Dan gaat de Kerk het „klooster" in om alleen met God te zijn en door zelfkastijdingen iets toe te brengen aan de zaligheid. Dan kan er uit die eenzaamheid wel een zendingsarbeider opstaan, iemand die zichzelf verloochent en desnoods de marteldood wil ingaan, maar heimelijk zit er het menselijke achter en niet de eer en de heerlijkheid van de Koning van de Kerk.
Soms komt er een aandrang tot zending-bedrijven als de dagen donker worden en men het einde nabij denkt. En met klem wordt gewaagd van „de laatste ure" die voor de deur staat.
De goede zendingsaktiviteit komt pas wanneer de Heilige Geest het Woord van Christus op de harten bindt: „Gaat henen in de gehele wereld, predikt het evangelie allen creaturen." Dan wordt de Kerk gedreven door Hoger Hand, soms op een pijnlijke manier: er breekt een vervolging uit te Jeruzalem; het Romeinse Rijk wordt overstroomd door volksstammen; de Mohammedanen stuwen op in Spanje en de Balkan! Het sein staat op onveilig!
En het arbeidsveld wordt steeds groter. Nieuwe werelddelen worden ontdekt; kolonies ontstaan en daar wordt de grote nood gezien van de heidenen, die leven als dieren en sterven zonder ooit van de ware God te hebben gehoord. Dan gaat de Heere de Kerk in de wereld brengen en stelt haar voor de geweldige opdracht mee te helpen aan de komst van het Rijk.
Het wezen van de zendingsgeschiedenis is dus niet het constateren wat de mens heeft gedaan, maar wat God doet en gedaan heeft. De Heere bestuurt alles wat er op de wereld gebeurt naar Zijn voorzienig bestel. Te midden van het rumoer der volken plant Hij Zijn Kerk en draagt er zorg voor dat de poorten der hel die Gemeente niet zullen overweldigen, al schijnt het dat de ondergang soms nabij is. De kandelaar van het Woord wordt geplaatst in streken waar nooit de stem van God heeft geklonken, en na verloop van tijd wordt die kandelaar weer weggenomen. De Heere is soeverein in al Zijn doen. Hij is groot en wij begrijpen het niet, en omdat wij Zijn voornemen niet weten, zijn wij verplicht aan de oproep gehoor te geven. Dan gebeurt het, dat het Woord zó met kracht tot de Gemeente komt, dat die niet kan rusten voor aleer tot daadwerkelijke zendingsarbeid is overgegaan. Dan worden er ook mannen geroepen om uit te gaan waar God ze hebben wil. Het is de werking van de Heilige Geest, die geopenbaard wordt, zonder dat wij er erg in hebben: het schijnt alles zo vanzelf te gaan en men weet niet hoe alles eigenlijk is begonnen. „De wind blaast waarhenen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heenengaat."
De grote drijfveer tot zendingsaktiviteit is alleen God. Hij moet werken en dat doet Hij middellijk, door mensenkinderen, die meestal geen begeerte hebben of die zich niet bekwaam achten of liever als Mozes in Midian bleven. De
Heere begint en volvoert, omdat Hij alleen weet wie en waar en wanneer er kinderen in Sion geboren zullen worden.
Als we dit bezien, is er niet de minste reden om aan heiligenverering te doen. Dat er zendelingen zijn geweest en nog zijn, die grote dingen hebben tot stand gebracht en die nog steeds het rijk der duisternis gevoelige slagen toebrengen, is een feit. Maar deze mensen waren alleen machtig toen ze zwak waren en ze de kracht van God ontvingen zoals Jacob bij de Jabbok. Zij waren onbevreesd omdat de Heere gezegd had: „Vrees niet, want Ik ben met u."
Zij zijn op de goede weg gegaan omdat zij de weg niet meer wisten en de Heilige Geest verhinderde om eigen wegen te gaan. Zij hadden vrucht op hun arbeid omdat God de harten van vijanden vernieuwde. Zij hielden manmoedig vol, ondanks alle tegenkanting, omdat de Heere had gezegd: „Heb goede moed en wees sterk."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1962
Daniel | 8 Pagina's