Hef zomert....
(Martien Beversluis, Kruisbogen).
De zomer is gekomen! Na het lange stookseizoen zijn eindelijk de temperaturen gaan stijgen en allerwege is de natuur bezig de achterstand in te lopen. Het móest wel zo worden, want de belofte van God is een belofte voor alle komende eeuwen, dat zomer en winter niet zullen ophouden. Zien we die vastheid van de ordeningen in de natuur? Of nemen we de dingen zoals ze nu eenmaal zijn?
Nu mogen we wel ogen hebben om te zien wat alom zich buiten openbaart. Wel trekken duizenden de steden uit om met volle teugen de zuivere lucht in te ademen en eens iets anders te zien dan asfalt en flats, winkelpaleizen en drommen van jachtende mensen, maar.... hoe weinigen zullen er zijn, die horen en zien met de verfijnde zinnen der ziel! Laten we even nagaan hoe een dichter de volle zomerweelde aanschouwt. In de bundel „Kruisbogen" van Martien Beversluis staat een gedicht „Het zomert". Die titel zegt alleen de beginwoorden van het gedicht, dat aldus begint:
Het zomert en de ganse eerde zingt naar de hemel „weest gegroet"! Gij doet ons gaan door de ontbeerde valleien van Uw overvloed. Uw grote liefde woog en veerde op alle leven, zacht en zoet.
Dat hier inplaats van aarde „eerde" staat, heeft geen biezondere betekenis: het gedicht, dat uit 24 regels bestaat, heeft slechts twee rijmwoorden; het woord aarde kon de dichter niet gebruiken, want dan zou het uit de toon vallen. De moderne poëzie heeft maling aan rijmwoorden en leestekens en hoofdletters, maar bij Beversluis is dat niet het geval en deze dichter zal het wel „ouderwets" blijven doen. In dat kleine stukje, hierboven afgeschreven, wordt Gij en Uw genoemd. Nu kan het zijn dat dichters die woorden voor alle mogelijke begrippen kunnen gebruiken; hier echter wordt de Schepper en Onderhouder erdoor verstaan. Dat weten we als we het hele gedicht hebben bekeken.
Het is Gods grote liefde, dat Hij aan Zijn schepping blijft gedenken. De valleien, de laagste plaatsen, zijn vol van zegeningen, waardoor wij mogen gaan; die voor ons voordeel zijn gegeven. Het leven, in wintertijd meer dood dan levend, is weer opgeveerd en overal staat alles in volle wasdom. De ganse aarde juicht onbewust van de trouw en goedheid van God!
Nu gaat de dichter de mens tegenover die zingende natuur stellen:
De need'rige viooltjes eerden U meer dan wij, in d' overmoed. De zee, de wouden balanceerden op d' Adem die al 't leven voedt. En wij, die Uwe zij doorspeerden, wij vluchten als Uw donder woedt.
De viooltjes zijn nederig; ze houden zich laag bij de grond. Maar in verscheidene kleuren staan ze te glanzen en de Schepper te eren, meer dan een mensenkind. De zee en de bossen worden beroerd door Gods adem en de bossen gaan buigen en de golven van de zee gaan bewegen op Zijn wenken. Daar tegenover staat de mens, die de speer durfde steken in de zijde van Christus, met een mond die niet spreekt. Geen wonder dat zo'n mens voor Gods donder op de vlucht slaat.
Toch zal de mens van de zomer profiteren en van die zomer halen wat er te halen is:
Wij zomeren, wij triomfeerden! Wij waap'nen ons met Uwe gloed. Wij grepen naar wat wij begeerden voor de papavers van ons bloed.
Door het grote geschenk van de zomer zullen we onze hartebegeerten vervullen. Wij zullen in bloei uitbreken als de papaver, maar het zal alleen zijn voor ons zelf, voor ónze bloei, voor ónze rijke vrucht, die opgesloten zit als de fijne zaden van de papaver in de doosvrucht.
En wat is dan de einduitslag van dat verkeerde begeren? Wat bereiken we er mee, door voor ons eigen geluk en grootheid te jagen? Hier volgt het:
Ons hart bleef zwart en wij verweerden. En onze handen staan als roet op al het wit dat Gij formeerdet, bestralen en bestrelen doet.
Bij onze vermeende bloei en vruchten straalden we geen schoonheid uit: ons hart bleef zwart en wij gingen als een oude muur verpulveren (verweerden). Wij waren niet als cle bloemen des velds om de grootheid van God uit te zingen.
Integendeel, wij maakten het werk Gods lelijk: onze zwarte vingers beduimelen het schone werk van de Schepper; de mens maakt de schone natuur tot iets wat in zijn kraam te pas komt, tot eer van cle mens en niet tot eer van God, zoals de planten en de dieren tot Gods eer zijn. Geen wonder dat de dichter een groot schuldgevoel krijgt en hij bidden moet:
O God! vergeef ons al 't verkeerde, maak ons weer als de dieren goed. Want hoe wij 't om ons zelf vermeerden, de sikkel ligt aan onze voet.
De dieren zijn niet van God afgevallen en kunnen nog beantwoorden aan het doel waartoe God ze schiep. Maar cle mensen hebben zichzelf gezocht bij al het schoon dat rondom is en wat zullen we er mee bereiken? Alles zullen we moeten achterlaten, want de sikkel (de dood) zal alles wegnemen.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1962
Daniel | 8 Pagina's