Wat hebt ge met God gedaan?
Het kan niet anders, of de onbeschaafdste volken móéten wel aan godsdienst doen, omdat het Godsbesef bij ieder mens aanwezig is. Bij de bestudering van de verschillende godsdiensten van minder ontwikkelde volken is gebleken, dat er algemeen gesproken wordt over een Hoogste Wezen. Bij het begin van alles wat er rondom ons is, bestond dat Wezen en Hij ordende de hele samenleving. De Toradja's op Midden-Celebes noemden dat Hoogste Wezen „de heer Formeerder". Toen deze de mens voortbracht, was hij van plan de mens een „lange adem" te geven, maar de nachtwind kwam en blies de „korte adem" in de mens. Het is heel begrijpelijk wat hiermee bedoeld wordt: de mens was bestemd voor het eeuwige leven, maar de dood is tussenbeide gekomen. Als zulke opvattingen omtrent het bestaan van de mens aanwezig zijn, is het niet zo moeilijk voor de zendingsarbeiders aanknopingspunten te vinden.
Het Hoogste Wezen wordt bij het merendeel van de heidenen beschouwd als de Schepper van de wereldorde: water en land zijn gescheiden; dag en nacht wisselen elkaar af en ook onder de mensen zien we de stamindelingen.
Dat Hoogste Wezen, toen Het alles geordend had, is weggereisd naar een zeer ver land. De mens kan niet meer tot Hem naderen. Hoofden van stammen kunnen Hem slechts bereiken en naar die hoofden luistert Hij. Priesters vermogen op geheimzinnige wijze ook kontakt met de Onbereikbare op te nemen. Vandaar dat stamhoofden en priesters zo'n groot respekt hebben onder het gewone volk. Die vreselijk grote ruimte tussen het Hoogste Wezen en het gewone volk moet dus worden opgevuld. Vandaar dat men veelal verering krijgt van lagere geesten, die voor het volk wel enigszins bereikbaar zijn.
In de heidense godsdiensten werd God dus weggestoten naar onbekende verten, voor de mensen niet te bereiken; alleen door enkelingen, die opwaarts hoger waren dan het volk.
Hoe zijn in dit denken de rollen omgekeerd! Niet God is weggereisd naar onbekende verten, maar de mens heeft God vaarwel gezegd en vluchtte tussen de struiken. Kaïn zocht het land ten oosten van Eden op en bouwde een stad, om beschermd te zijn voor gevreesde aanvallen en om zijn leven zonder God voort te leven. God was ver weg en er moest niet meer mee gerekend worden. Soms sidderde men wel als er iets buitengewoons gebeurde, maar dat was van voorbijgaande aard.
In de oude Chinese religie krijgt men hetzelfde te zien. Het hoogste Wezen heeft wel al de ordeningen van hemel en aarde geschapen, maar sindsdien mag alleen de keizer Hem aanroepen. Van de zijde van de keizer krijgt die „god" wel verering, maar het gewone volk heeft niets met die god meer te doen. (In de laatste jaren is hierin zeer veel veranderd). Omdat alleen de keizer zich met de gewaande god kon bemoeien, ging het volk geesten en zielen van afgestorvenen vereren.
Bij de Mohammedanen is Allah in het praktische leven ook een god, die zich in onbekende verten bevindt, en ontstaat er een ontzaglijke leegte, die door iets anders moet gevuld. En hoe gaat het in onze tijd? Een groot gedeelte van de gekerstende wereld is gevangen in de leugen van de leugenaar van den beginne: wij zijn als God en hebben het recht in eigen hand genomen, en daarom speelt God in het leven geen rol meer. God wordt weggedrongen naar verten waarvan geen voorstelling is te geven. Het woord „God" is een begrip geworden, dat heel vaag is en moeilijk te beschrijven. Men vreest God niet meer, men heeft Hem niet nodig en men verlangt niet naar Zijn nabijheid. En de vreselijke leegte moet gevuld met spel en sport, met reizen en trekken, met geld en zinneïust.
Wat heeft de zending dan toch een grote taak, niet alleen de uitwendige, maar ook de inwendige zending. Het zal steeds moeten gaan tegen de verschrikkelijke leugen, dat wij met God niets uitstaande hebben. De vraag die de zending telkens moet stellen is: „Wat hebt ge met God gedaan? " Heidenen en moderne heidenen moeten weer tot God worden gebracht, Die niet ver is van een iegelijk van ons, opdat we zouden huiveren voor hetgeen geschreven staat in Psalm 39: „Waar zou ik henenvlieden voor Uw aangezicht? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1962
Daniel | 8 Pagina's