De vrije zaterdag:Aan het
De vrije zaterdag: Aan het eind van de vorige aflevering van deze rubriek verzocht ik, geen brieven meer over dit onderwerp in te sturen. In de voorlaatste „Daniël" werd mijn artikel niet geplaatst. Daar zal het wel aan gelegen hebben, dat ik nog weer 2 epistels over de vrije zaterdag ontving.
De eerste komt uit Akkrum:
„Ten opzichte van hetgeen in „Daniël" no. 20 voorkomt, ben ik het er niet mee eens, dat men zo gemakkelijk afwerkt met de letterlijke uitspraak van het vierde gebod en zo vlot negeert de zin en mening, zoals die in de Schrift voorkomt omtrent het vlijtig waarnemen van ons beroepswerk en omtrent het getuigenis, dat wij vinden aangaande degenen, die luieren of ledig gaan!
Mij dunkt, het heeft ons toch iets te zeggen, dat in het 4e gebod gevoegd is: zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen. Wij moeten niet vergeten, dat in de weinige woorden die God sprak en op twee stenen tafelen schreef, niets voorkwam, waarmede de Heere niet Zijn wijze bedoeling gehad heeft. Al clie woorden hebben ons iets te zeggen. Als dit niet zo zijn zou, had de Heere zonder dat het gebod van de Sabbatsheiliging iets aan kracht verloor, die zinsnede kunnen weglaten.
Degenen die de vijfdaagse werkweek voorstaan of propaganderen, moeten wel bedenken wat wij in deze doen. Zoals wij dit vinden in „Daniël" no. 21. Deze dag is ons opgelegd aan de ene groep en als een cadeautje geschonken aan de andere groep door cle moderne socialistische arbeiders-of werknemersbonden! De wereld krijgt er een pleisierdag bij, weinigen zullen er zijn, clie het zullen beschouwen als een tweede dag om volgens vr. 103 en antwoord van onze catechismus in de dienst des Heeren bezig te zijn. Schrijvers in uw blad zeggen: dat ligt voor hun rekening. Maar de voorstanders van de vijfdaagse werkweek helpen hen, wier bedoeling is van 't leven te halen wat er van te krijgen is en om des te meer afgeleid te worden van de ernst van ons leven en van de dingen, die de eeuwigheid aangaan. Een ander zegt: De vijfdaagse werkweek is een feit en daarmede af. Maar daarmede zijn wij niet klaar ten opzichte van de vraag: wat oordeelt de Heere daarvan? Nog een antwoord op de naar vorengebrachte mening, dat tengevolge van de vijfdaagse werkweek de sportliefhebbers en dergelijken nu meer gebruik zullen maken van de zaterdag dan van de zondag. Dat is nog een grote vraag en zou statistisch uitgemaakt moeten worden. En al zou dit zo zijn, wat doen die soort van mensen dan met de vrijgekomen tijd op zondag. Zou die door de Sabbatschenders beter worden gebruikt?
Nu heb ik nog weggelaten de maatschappelijke zijde van dit vraagstuk. Meer verdienen en kortere werktijd. In vele bedrijven is het met ingang van 1 mei:6% loonsverhoging en kortere werktijd, tesamen 10% loonsverhoging. Onvermijdelijk volgt hieruit: uurdere levensstandaard en devaluatie van ons betaalmiddel."
Tot zover onze vriend uit Akkrum.
Vervolgens ligt hier voor mij een brief van een Zeistenaar. Hij roert een facet aan, clat nog niet zozeer ter sprake gekomen is, n.1. het economisch aspect. Hij schrijft: „In „Elseviers Weekblad" van 10-3-1962 wordt in het artikel „Stijgende spanningen" gewezen op de verflauwing, respectievelijk achteruitgang van zowel wereld-als nationale conjunctuur. De handelsbalans, de situatie in luchtvaart, scheepvaart en overig dienstenverkeer geven reden tot zorg. Ook onze industriële produktie neemt weinig of niet toe. „Wij betalen in onze gelijkblijvende produktie een zware tol aan de vijfdaagse werkweek, " aldus de scribent van genoemd artikel. En even verderop: „Tenzij wij zouden besluiten weer langer te werken en harder, is een enigszins belangrijke vermeerdering der produktie, zeker op korte termijn, niet te verwachten, " aldus cle briefschrijver uit Zeist.
Verschillende facetten betreffende de vrije zaterdag zijn aan de orde geweest. Het leeuwendeel ging over de principiële zijde. Dat is voldoende doorgesproken naar mijn mening. Daar verwacht ik dan ook geen brieven meer over, omdat nieuwe gezichtspunten toch niet meer tevoorschijn komen.
Het economisch aspect hebben we zojuist iets over gehoord. Daar wou ik graag nog wat over horen. Wie zorgt hiervoor? Uw gespreksleider is geen econoom, heeft daar ook niet veel verstand van. Vandaar, dat hij graag hierover naar anderen luistert. Een derde aspect is tot nog toe buiten de diskussie gebleven en ik had stellig gehoopt, dat dat ook aangeroerd zou worden. In slechts één brief kwam het even om het hoekje gluren. Ik bedoel dit: Wat zeggen onze huismoeders over de vrije zaterdag? Ik zou dus kunnen spreken over het huishoudelijk aspect van deze zaak. Kom moeders, klim eens in de pen. Balpoint is ook best. U heeft wel een eigen rubriek in „Daniël" gekregen: „Gesprek met onze lezeressen", maar brieven over de vrije zaterdag wou Gespreksleider graag hebben. Ik verwacht er, laten we zeggen, een stuk of drie van u. De vrije zaterdag is toch iets, wat nogal in het gezinsleven ingrijpt. Vindt U het fijn, clat man en kroost 's zaterdags thuis is of verkiest u cle vroegere toestand? Ik ben benieuwd naar uw reakties.
Daarna hopen we deze rubriek met een samenvatting en hier en daar een toevoeging af te sluiten.
De I.C.C.C.
Een lezer uit Den Haag komt nog even op dit onderwerp terug. Naar zijn mening is er principiëel niets op tegen, dat onze gemeenten zich bij de I.C.C.C. aansluiten. Zijn bedenkingen gaan echter tegen de manier, waarop cle lezer uit Zeist deze aansluiting wil bevorderen. Er is toen cle gedachte geopperd, het hoofdbestuur van het Landelijk Verband te verzoeken, indien zij voldoende adhaesiebetuigingen ontvangen heeft, een dringend beroep op cle Synode inzake deze te doen.
Onze Haagse vriend wijst er zeer terecht op, clat het de „kerkelijke weg" is, clat op synodes zaken worden behandeld, die door kerkeraden, via classes en particuliere synoden bij haar terechtkomen. Dit neemt m.i. echter niet weg, dat het Hoofdbestuur, stel dat het zover kwam, deze kerkelijke weg ook zeker zou bewandelen. Daar acht ik de mensen van het Hoofdbestuur attent genoeg voor. Ik zou me gewoonweg onze voorzitter ds. H. Rijksen niet kunnen indenken zonder zijn kennis van Kerkrecht.
Verder merkt hij nog op, dat rijpheid bevorderen goed is, maar dat alle opjagerij het rijpingsproces niet ten goede komt; het gevaar is dan groot, dat de tegenstanders van aansluiting tot groter verzet worden geprikkeld. Dit is natuurlijk ook waar. Iedere actie brengt een reactie teweeg. Ik geloof echter niet, dat de gevoerde diskussie over de
l.C.C.C. een opjagerig karakter heeft gedragen. Dat was althans mijn bedoeling niet. Ik heb indertijd dit onderwerp eens aangesneden, om daardoor ook in onze kringen het licht eens te laten vallen op de oecumenische gedachte, waaide kerkwereld tegenwoordig zo vol van is. En dan meen ik, dat de diskussie zeer verhelderend kan werken, over wat voor onderwerp het gaat.
Tenslotte acht de Haagse briefschrijver het optreden van de voorzitter van de l.C.C.C. dr. C. Mc Intire in New Delhi geen goed doen aan de zaak van de l.C.C.C. „Ik hoop, dat hij en wij bij ons streven denken aan: „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1962
Daniel | 8 Pagina's