„Waarheid wekt vertrouwen"
Onderstaande lezing werd gehouden door mevrouw Van Heli-Hulsman op de jaarvergadering van het L.V. van M.V.'s te Utrecht.
Waarheid! Hiermee bedoelen we in dit geval: een waar antwoord op een gestelde vraag, dus.... een eerlijk antwoord en ook eerlijk, dus waar zijn, in de omgang met elkaar, zowel ouders tegen kinderen, kinderen tegen ouders, en allen in de omgang met kinderen maar ook vrienden en vriendinnen onder elkaar. .. . We kunnen dus wel zeggen: Dit geldt voor iedereen in de omgang met anderen.
Als we zo met elkaar omgaan, proberen met elkaar om te gaan, zou dat geen vertrouwen geven?
Als we de Bijbel lezen, komen we vele teksten en geschiedenissen tegen, waarin de leugen afgekeurd wordt.
Maar 't is vaak zo moeilijk, een waar antwoord te geven. En moeten we dan altijd antwoord geven, ook als antwoord een ander pijn kan doen of toch niet begrepen zal worden?
Natuurlijk kunnen er vragen aan ons gesteld worden, die heel moeilijk of zelfs heel niet te beantwoorden zijn, maar toch mogen we er ons nooit met een leugentje van af maken.
In de Bijbel staat een geschiedenis van een vader die een heel moeilijke vraag kreeg en deze toch eerlijk heeft beantwoord.
Het is de geschiedenis van Abraham, die zijn zoon Izak moest offeren.
Abraham is al een oud man. Hoe oud, weten we niet precies, in ieder geval ouder dan 100 jaar.
Deze oude man krijgt dan van de Heere een moeilijke opdracht. Zou er één mens geweest zijn, die moeilijker opdracht ontving?
Hoeveel keren zal Abraham niet geknield gelegen hebben, om te bidden om een zoon, en hoe is zijn geloof niet op de proef gesteld. Hij zou toch tot een groot volk worden, maar dat werd steeds onmogelijker, en toch is zijn geloof niet beschaamd; de beloofde zoon is geboren.
Als wij iets beloven, doen we het niet altijd, als God iets belooft, doet Hij het altijd.
Wat zullen Izaks' ouders veel van hem gehouden hebben, en wat zal Abraham met zijn zoon veel gesproken hebben over zijn hemelse Vader.
Het is waarschijnlijk voor Izak een feest geweest, als hij met z'n vader mee mocht, toen hij klein was, maar ook toen hij groter werd.
En dan zegt God: „Ga heen en offer uw zoon."
Dit kan toch niet, dit mag toch niet. Uit Izak zou toch eens de Messias geboren worden. Zijn zaad zou toch ontelbaar worden. En het mag toch niet. Men mag toch zijn eigen kind niet doden. O, wat zouden wij er toch tegen ingegaan zijn. Maar we lezen in de Bijbel niets van dit alles. Nee hij deed het, hij stond er zelfs vroeg voor op.
't Wordt een lange reis. Abraham heeft het in 't geloof (Hebr. 11 : 8) gedaan. Ik denk dat hij het anders niet gekund had. Dit geloof heeft hem de moed gegeven om op reis te gaan. 't Was toch veel eenvoudiger geweest als het dicht bij huis had kunnen gebeuren. Door de lange reis werd zijn geloof des te meer beproefd.
Waarschijnlijk heeft hij het Sara niet verteld, misschien had zij hem proberen tegen te houden, of heeft hij haar geen verdriet willen doen. Hij vertrouwde (Gen. 22 : 5) en geloofde dat zij samen zouden terugkeren.
De Heere wijst hem de plaats, waar hij moet offeren, en als hij de plaats ziet, beveelt hij zijn knechten te wachten. Nu zijn vader en zoon samen, Izak draagt het hout, Abraham het vuur en het mes, waarmee hij zijn zoon straks moet doden.
Izak is vast wel eens meer mee geweest met zijn vader om te offeren, dan namen zij een lam van de kudde mee en ook hout, en vuur en het mes.
Izak mist nu echter iets. Zou vader het lam vergeten zijn? Hij vraagt dan ook: „Mijn vader" hieruit klinkt de liefde tot zijn vader. „Mijn vader, " U heeft wel vuur meegenomen en hout, maar waar is het lam? O, wat een moeilijke vraag, en deze vraag bedoelde ik, die gesteld wordt door een kind en waar beantwoord door zijn vader, hoewel Abraham het nog niet de tijd acht, Izak volledig in te lichten. Dan had hij moeten zeggen: „Nee jongen, dat lam ben jij".
Hij wil hier echter nog mee wachten. Hij bedenkt geen leugentjes zoals: Och dat ben ik vergeten of iets dergelijks. Hij geeft een waar antwoord: „God zal zichzelven een lam ten brandoffer voorzien."
Is dit niet gebeurd?
Abraham heeft ongetwijfeld zijn zoon in gedachten de hele weg al geofferd. Hij heeft geloofd samen naar huis te kunnen terugkeren. God is machtig hem weer uit de doden te doen opstaan. (Hebr. 10 : 18).
We zien in deze geschiedenis het vertrouwen tussen kind en vader. Izak vraagt niet verder, hij vertrouwt zijn vader volkomen. Zou hij dit vertrouwen ook gehad hebben als zijn vader hem altijd afgescheept had met kleine leugentjes?
Dit vertrouwen blijkt even later, als zijn vader hem op het altaar legt en vastbindt, toen kon Abraham er niet meer onder uit, toen moest hij zijn opdracht van God doorgeven. Loopt Izak weg? Nee hij laat zich binden. Ook dit was een geloofsdaad, denk je maar eens in wat het is.
We weten allen het vervolg van ds geschiedenis. De Heere heeft Abraham zijn zoon niet laten doden, maar heeft een ram gestuurd als plaatsvervanger. Deze hele geschiedenis is een afspiegeling van het lijden van Christus; hier wil ik nu echter niet op ingaan.
Ik heb deze geschiedenis aangehaald als voorbeeld van een moeilijke vraag, waar een eerlijk antwoord op werd gegeven. „Waarheid wekt vertrouwen". Altijd? Nee!
De waarheid kan gezegd worden, keihard, zonder liefde, dan stoot het af.
Maar een antwoord, al is het desnoods wat stuntelig gegeven, waarin je voelt, die persoon meent wat hij zegt; hij bedoelt het goed met me, dat geeft vertrouwen, naar hem of haar ga je graag nog eens terug.
Hoe staan wij tegenover elkaar? Ook altijd eerlijk? Niet alleen een antwoord kan onwaar zijn, ook de bedoeling van een vraag, vragen wij elkaar of onze ouders dingen in de hoop ze eens lekker vast te praten?
En.... zijn onze antwoorden als vrienden en vriendinnen onder elkaar waar? Durven we het tegen een kennisje te zeggen, die niet van onze richting is, dat we naar de kerk gaan, of catechisatie en dat we daarom niet mee kunnen, een avondje uit, durven we het ronduit te zeggen, als we meegevraagd worden naar de bioscoop, dat we dat niet willen, of zeggen we voor 't gemak maar: „Nee dan kan ik niet", of „ik vind er niets aan" want als we zeggen, „dat mag ik niet van thuis, of beter nog „daar ben ik op tegen" dan vinden ze me vast tuttig of 'n stijve hark, die niets mag.
Als je er eerlijk voor uitkomt, weet een ander wat hij of zij aan je heeft, maar, als je met o, zo'n klein leugentje begint, raak je vaak hoe langer hoe vaster. Hoe vaak zeggen we niet wat, zonder voldoende door te denken, 't Gaat vaak zo ongemerkt.
Er is iemand jarig, 't Is een gezellige dag, met de avond als hoogtepunt. De jarige wordt verwend met cadeaus. Maar niet ieders smaak is eender. Zo komt er een wat ouder iemand, met een in het oog van de jarige oerlelijke ouderwetse kop en schotel.
Zelf vind je als jongere, juist die moderne kopjes zo leuk. „O, " zegt de jarige „dank u wel, wat een enig kopje". Als de gast weg is, wordt er onder elkaar om gegiecheld; de jarige zegt: „Och 't is wel aardig van d'r, maar wat een lelijk ding hè".
Misschien was dit cadeautje wel met meer liefde gegeven, dan het moderne cadeautje van een van de vriendinnen, maar 't werd achter de andere cadeaus weggestopt. Toch kun je ook een lelijk cadeautje wel zien als een waardevolle gift en kan er ook wel bedankt worden zonder te huichelen, dat het mooi is.
Moet je dan zeggen: „Wat lief van u, maar 'k vind hem lelijk? Natuurlijk niet. Het is toch niet zo moeilijk iets waarderends te zeggen zonder te huichelen. Doe in zo'n geval wat je hart je ingeeft. Maar nu iets over de omgang met kinderen, en dat is vaak veel moeilijker. Met kinderen gaan we bijna allemaal wel om. Ons voorbeeld, vooral als het onze eigen kinderen zijn, doet zo veel. Mogen wij hen dan het voorbeeld geven, door kleine onwaarheden te vertellen?
Rietje van vier vraagt haar moeder om een snoepje. „Straks" zegt moeder, „bij de thee". Rietje vindt het snoepje lekker, maar ze lust ook wel snoepjes zonder thee, dus vraagt ze na een poosje: „Mam, krijg ik er nog één? "
„Nee" zegt mamma, nu is het op hoor!" en het halfvolle schaaltje verhuist naar de kast.
De volgende dag loopt Rietje op een dropje te zuigen, die heeft ze van de buurvrouw gekregen, wel een heel rolletje. Als moeder vraagt: „Heb je er nog meer? " zegt ze „nee hoor „ik heb ze allemaal al op."
Even later vindt moeder in Rietjes jaszak nog een half rolletje drop. Moeder boos: „Foei, stoute meid, je mag toch niet jokken."
Onze kinderen letten op ons. Wij dreigen ze vaak, in een kwade bui, later als de bui gezakt is, voeren we de dreigementen niet uit. Ik was ééns boos op één van m'n kinderen en zei: „Jij krijgt straks voor straf geen snoepje, als we theedrinken" maar later was ik dat allang vergeten, en gaf toch een snoepje, en wat kreeg ik te horen? „Mam, u heeft gejokt, want ik heb toch een snoepje gekregen." Ze was wel zo handig, het eerst op te eten, voor ze dit zei. Zo iets kun je alleen maar toestemmen. Er is geen eerlijker Boek, dan de Bijbel. De Heere vertelt ons in Zijn Woord zowel het goede, als het slechte van zijn kinderen.
In hoeveel moeilijkheden heeft diezelfde Abraham zich niet gewerkt, toen hij tegen Abimelech zei, dat Sara zijn zuster was? Niet alleen zichzelf, maar ook anderen.
David was de schoonzoon van Koning Saul, maar door al Sauls leugens was hij het vertrouwen bij David kwijt.
Saul jaagt David steeds weer achterna. Nadat David de spies en waterbeker van Saul heeft weggehaald en Sauls leven heeft gespaard, komt Saul even tot bezinning. Hij zegt: „Ik heb gezondigd, keer weder mijn zoon David, want zal u geen kwaad meer doen." Zij scheiden in vrede, maar David gaat niet mee. Saul heeft al eens eerder beloofd David geen kwaad te doen, en het toch weer ik geprobeerd. Is het wonder dat David hem niet vertrouwde?
't Is zo fijn als onze kinderen ons vertrouwen en ons hun vertrouwen schenken. Laten wij dan proberen dit te waarderen en dit vertrouwen niet beschamen.
Ja maar, kinderen stellen ons wel eens vragen die we toch niet kunnen beantwoorden. Je kan een kind van drie jaar toch niet alles vertellen, wat het vraagt, hier begrijpt het toch niets van. De meeste kinderen, de één eerder, de ander wat later, komen met de vraag, waar toch de kleine kindjes vandaan komen, dit zullen ze uiteraard het eerst aan de moeder vragen, meestal als er in de omgeving een baby geboren is. En als moeder daar een eerlijk antwoord op geeft, zal het de volgende vraag over dit onderwerp, weer aan moeder stellen. En al is het kind klein, we kunnen daar eerlijk in zijn.
Krijgen we de kinderen niet van de Heere en is dit niet een geweldig wonder. Als we dit zo met onze kinderen bespreken, eerlijk en als iets heel moois, dan wekt dit vertrouwen. Het ene kind zal hier dieper op ingaan dan het andere.
Wij lezen toch de hele Bijbel ook, waar kinderen bij zijn, daar staat veel hierover in. Als ouders hun kinderen van dit wonder vertellen, geloven die kinderen de lelijke praatjes, die ze van vriendjes en vriendinnetjes horen, niet en zullen ze zeggen: , , 't Is nietes, m'n moeder zegt het zelf."
Vertrouwen is zo mooi, maar vertrouwen ontvangen, dubbel mooi.
Zo was er een moeder, wier dochtertje voor 'n kleine operatie naar 't ziekenhuis moest, deze moeder heeft haar kind verteld, wat er ging gebeuren, en ook, dat ze als ze wakker zou worden, wel een poosje erge pijn zou hebben. De operatie verliep gelukkig goed. Als de ouders op bezoek kwamen, hield het meisje zich altijd erg flink en zei niets over pijn. Na een paar dagen mocht ze naar huis. Later vroeg haar moeder: „Heb je nog erge pijn gehad"?
„Ja" zei ze, „dat wel, maar u had het me verteld." Deze moeder vond dit het grootse compliment wat ze in lange tijd had gekregen.
't Is makkelijker tegen een kind, wat naar 't ziekenhuis gaat te zeggen: , , 't valt wel mee hoor!" maar dan valt het 't kind later niet mee.
Nu kunnen we het o zo goed bedoelen, maar 't is zo vaak bijna onuitvoerbaar. Ik begin vaak 's morgens met reuze
goede voornemens en 's avonds zie ik hoe weinig er vaak van terecht gekomen is.
In de opvoeding en in ons hele leven hebben we leiding nodig. Ik geloof dat we hier om bidden mogen, bidden om geduld, liefde en wijsheid en vooral ook durf om eerlijk tegen elkaar te zijn, tegen onze kinderen, en tegen ouderen. Ook velen van Gods kinderen zijn afgeweken, en er zijn voorbeelden van Gods kinderen, die ook wel eens de eerlijkheid opzij gezet hebben, maar ook hiervoor kan God vergeving geven en ook hierin kan God helpen. Laten we hier toch veel om vragen, opdat wij ervaren mogen:
„Waarheid wekt vertrouwen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1962
Daniel | 8 Pagina's