Wij en de techniek
Waardering van het stoffelijke
Hoe moeten we het stoffelijke waarderen?
Sommigen zeggen: „we hebben een onsterfelijke ziel en die moet gered worden."
Anderen merken op: „ja, en daarom is het stoffelijke maar uitwendig, maar uiterlijk. Het belangrijkste is hoe je de wereld uitkomt bij je sterven".
Onlangs zei me iemand: „het lichaam is maar onbelangrijk, straks wordt het dooide wormen gegeten". En hoevelen zijn er niet, die (als zij b.v. plotseling met de dood gekonfronteerd worden) denken of zeggen: „wat betekent nu eigenlijk al dat aardse tegenover zo'n ontzaggelijke eeuwigheid? " Lezer(es), in al deze uitlatingen (hoe goed bedoeld ook) beluisteren we helaas een geestesgesteldheid, die zich ook in de oude Christelijke Kerk uitte.
Deze geestesstroming, Gnostiek genaamd, komt in het kort op het volgende neer.
De Gnostiek
Volgens de Gnostiek zou een vonk uit de lichtwereld a.h.w. per ongeluk in de wereld van de duisternis terechtgekomen zijn. En door dit ongeluk zou de stoffelijke wereld — zoals wij die kennen — ontstaan zijn.
De zielen van de gnostici of pneumatici (geestesmensen) zouden onderdeeltjes van die lichtvonk zijn. En nu gaat het er maar om, dat hun zielen uit de stoffelijke wereld weer teruggaan naar de lichtwereld, waarin ze immers thuis horen. Dit gebeurt door de verlossing. 1 ) Deze stoffelijke wereld zou het werk zijn van een lagere God, Die we uit het O.T. kennen. De mens heeft echter in
zijn geest een stukje van de hoogste God zelf meegekregen. E11 nu zendt de hoogste God Christus om dit stukje te verlossen. Zijn leer en voorbeeld doet de geest zichzelf losmaken van de stoffelijkheid en terugkeren tot de hoogste God. 2 ) Welnu: sommige sekten trokken uit dit alles de konklusie dat men zich, door afsterving en askese (onthouding), zo radikaal mogelijk moet losmaken van deze stoffelijke wereld.
Anderen waren echter zo zeker van het feit dat ze van nature gebonden waren, dat ze het stoffelijke als onbelangrijk beschouwden. Ze hechtten zelfs aan de ethiek (zedenleer) geen enkele waarde en hun leven ontaardde vaak in walgingwekkende excessen.
De Schrift en de Gnostiek
Paulus heeft tegen deze geestesstroming (o.a. in de brief aan de Kolossenzen) de strijd aangebonden.
Deze, stoffelijke, wereld is niet het werk van een lagere God, want „door Hem (Christus) zijn alle dingen geschapen"; „door Hem alle dingen verzoenen zou..." Het stoffelijke is niet iets minderwaardigs, want het is door Christus geschapen. Zijn verzoening, Zijn Offer omvat én het stoffelijke én het geestelijke.
Aan het adres van de onthouding-drijvers schrijft hij daarom:
„Indien, gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, alsof gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast, namelijk: Raak niet, en smaak niet, en roer niet aan?
Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen; welke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwillige godsdienst, en nederigheid, en in het lichaam te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging des vlezes."
Aan het adres van de „pluk de dag"vromen schrijft hij: „Doodt dan uw leden clie op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de geldgierigheid, welke is afgodendienst".
Wat betekent dit voor ons?
Onder ons, jongeren, ontmoeten we vaak twee levenshoudingen.
De ene: zolang je niet bekeerd bent, dan kan je het er nog van nemen. „Dit verandert natuurlijk als je bekeerd wordt". De tweede: „raak niet, en smaak niet, en roer niet aan'.
Vanzelfsprekend betreffen deze levenshoudingen ook de techniek; het gebruik van en het werken in de techniek.
In beide gevallen wordt het aardse, het stoffelijke, losgemaakt van Gods dienst. Calvijn heeft eens opgemerkt: „God wil door ons met ons gehéle leven gediend worden." Met deze Dienst heeft het aardse, ook de techniek!, alles te maken. Lezer(es), beide levenshoudingen vloeken met het leven van onze Heere Jezus Christus. En Zijn leven moet toch voor u en mij het Voorbeeld zijn? Waarom bidden we: „o Zoon, maak ons Uw beeld gelijk"? ?
Dr. A. J. Visser, „Kerkvorsten en Kerkvervolgers" 1961 pag. 23.
-) Dr. H. Berkhof, „Geschiedenis der Kerk" 1947 pag. 34.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1962
Daniel | 8 Pagina's