Opdat ze Hem vinden mochten
Alle zending, wil ze beantwoorden aan de opdracht van de grote Zender, zal niet in de eerste plaats een beetje beschaving brengen in onderontwikkelde gebieden, maar zal zich toeleggen om de bevolking in het zendingsgebied ervan te doordringen, dat hun godsdienst, zeden en gewoonten, in strijd zijn met de ware godsdienst, die God de Heere van Zijn schepselen eist. De zendelingen kunnen dus niet ineens met een geopende Bijbel dat volk tegemoet treden, maar ze zullen voorzichtig moeten peilen naar de oorsprongen van de zeden en gewoonten, van de godsdienstige gebruiken van de heidenen. Ze dienen zich enigermate in te leven in de diepste roerselen van dat volk, om te weten te komen waarom ze biezondere verrichtingen met een godsdienstig tintje doen. En dan zullen ze gaan proberen de schandelijkheid en de zondigheid van die godsdienst aan te tonen. Het volk moet immers worden overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dat kan alleen de Heilige Geest, maar middellijk moeten de zendingsarbeiders daaraan meewerken. Niet iedereen zal daartoe dezelfde wegen bewandelen; déze zal het op die manier proberen en géne zal een ander middel te baat nemen, maar allen dienen te werken in het besef, dat ze maar eenvoudige werktuigen zijn, waardoor de Heere Zich wil bedienen: slijk in Gods vingers.
De duitse zendeling Chr. Keysser, die in Oost Nieuw-Guinea voor de zending heeft gewerkt, stelde als hoofdregel: „Trek met het evangelie het heidendom binnen." Als een enkeling om de doop vroeg, weigerde hij dat, totdat de heiden, die de doop vroeg, met volle toestemming van zijn stam de doop ontving. Dat duurde soms wel lang, maar het gevolg was, dat het later tot een machtige beweging van grote volksgroepen naar het christendom kwam. Hij was ook van mening, dat de zendelingen de nieuwe zeden en gewoonten niet moesten afkondigen en opleggen, maar dat de christenen deze zelf moesten opbouwen. Zelf moesten ze zich afvragen wat van de vroegere zeden verenigbaar was met de nieuwe levensovertuiging; onder welke vormen Gods gebod in hun samenleving moest worden nageleefd. Vanuit de nederzetting Cattelberg, in de heuvels bij de Oostkust, heeft Keysser grote invloed uitgeoefend, en die invloed greep wijder om zich heen dan de kusten van Oost Nw. Guinea: Prof. Dr. Kraemer heeft zich door de gedachten van Keysser sterk laten leiden in de raadgevende taak bij het zendingswerk voor de jonge kerk op Bali.
In zijn boek „Eine Papuagemeinde" vertelt Christian Keysser hoe de christelijke gemeente in Papoealand haar nietchristelijke omgeving voor een grote samenkomst uitnodigt. De christenen vormen een kring en in het midden van die kring worden allerlei vruchten opgestapeld. De niet-christenen kijken met belangstelling toe. Met een wilde kreet springen nu de christenen naar voren en trappen de opgestapelde vruchten kapot, zodat er niets anders overblijft dan een papperig boeltje. Nu rennen ze weg en komen dan met vuil en stof en stenen aandragen. Dat alles wordt op de papperige massa geworpen. Nu planten ze midden in dat vuil een stok met een heidens teken eraan gebonden. Is dat gebeurd, dan begint de rondedans om die vuile „berg", onder het zingen van heidense liederen.
We vragen ons af, wat dit alles betekenen moet. Voor de heidenen is dit alles een aanschouwelijke prediking, die aan duidelijkheid en ernst niets te wensen overlaat. Het vertrappen van de vruchten en het bestrooien met vuil moest afbeelden hoe de mensen de rijke zegeningen van de Schepper van hemel en aarde met voeten hadden getreden; hoe ze met deze zegeningen heidens hadden gefeest; het bijgeloof erin hadden geplant! Met Gods goede gaven hadden ze gesold en een feest voor de mens was er uit voortgekomen.
Het heidendom werd zodoende ter verantwoording geroepen, opdat het zich van al het dwaze bijgeloof zou afkeren om de levende God te gaan dienen.
Op het zendingsveld gaat het om deze doordringende vraag: „Wat hebt gij met God gedaan? " Of anders gezegd: „Wie zijn wij en wat behóórden we te zijn?
Op deze manier gingen ook de profeten te werk. Jeremia verbreekt de kruik voor de ogen van het volk. Jesaja vertelt in den brede hoe een afgodsbeeld van hout wordt gemaakt. „Dan is het voor de mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er Voor neder. Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelven, en hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien!" (Jesaja 44). Wat moet er al werk besteed worden van Godswege om ons te overtuigen van onze dwaasheid en onwilligheid, van ons bijgeloof en ons ongeloof!
Wat legt de Heere veel aan ons ten koste en wat doet Hij tot op deze dag Zijn roepstem uitgaan tot de heidenwereld om tot Hem te komen, want bij Hem is veel verlossing!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1962
Daniel | 8 Pagina's