Een woord van macht en gezag
En Hij ging toe en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg U, sta op!" (Lucas 7 : 14)
Lucas cle medicijnmeester ziet cle wereld als een groot hospitaal vol van ellende en krankheid. Daartegenover tekent hij de Middelaar in Zijn Goddelijke Majesteit en in Zijn priesterlijke ontferming.
In Kapernaüm had Hij de kranke knecht van de hoofdman genezen en nu gaat Hij naar het stadje Naïn, enige uren verder. Wanneer Hij gevolgd door Zijn discipelen en een grote schare cle poorten van Naïn nadert, komt Hem een andere stoet tegemoet. Hier heeft een ontmoeting plaats tussen het leven en de dood. Hier zal straks het leven triumferen over de dood en zal een duidelijk getuigenis worden gehoord van het leven temidden van de dood.
Aan het hoofd van de ene stoet zien we een vaal paard. En die daarop zat, zijn naam was cle dood. Die dood heeft getriumfeerd, want op de baar achter hem ligt het zielloos lijf van een jongeling, geknakt in de bloei der jaren.
Aan het hoofd van de andere stoet zien we een wit paard en die daarop zit is de Vorst des levens, die uitgaat overwinnende opdat Hij overwon. Hij kwam, Hij zag en Hij overwon.
In het sterfhuis te Bethanië sprak Hij de treffende woorden: „Ik ben de opstanding en het leven." Neen, Christus is niet alleen opgestaan, maar Hij is de opstanding zelve. Daarom moet de koning der verschrikking het van Hem verliezen.
En Hij ging toe en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil). Achter die baar ging een diepbedroefde moeder. Die moeder was weduwe en haar zoon was haar enige zoon. Haar man en steun moest zij reeds missen en nu het laatste, het dierbaarste wat zij op aarde bezat.
De Heere werd met innerlijke ontferming over haar bewogen en zeide: „Ween niet". Op het machtwoord: „Jongeling, Ik zeg U, sta op", rees de dode overeind en begon te spreken. Wat de dood aan die moeder ontnam, gaf de Levensvorst haar terug.
Neen, we verwachten thans in die zin geen wonderen meer. Wel op geestelijk gebied. De doden zullen horen de stem van de Zone Gods en die ze gehoord zullen hebben, zullen leven.
Wat zijn er vele jonge mensen die liggen op de baar der zorgeloosheid en die gedragen worden van de geestelijke dood door de tijdelijke dood naar de eeuwige dood.
Wat is onze doodstaat vreselijk. Vele dragers bieden zich aan om onze kinderen ten verderve te voeren. We staan daar zo machteloos tegenover. Menige moeder gaat wenend achter de baar van haar zoon of dochter. De Heere zegt tegen die moeders: „Ween niet, want er is verwachting voor uw kinderen." Hij heeft een Rachab uit het hoerenhuis en een Mattheüs uit het tolhuis geroem. 1 . ~nraking van Zijn machtige hand en de dragers staan stil. Eén machtwoord en de dode jongeling wordt levend en de dragers zijn overbodig.
De dragers droegen een dode jongeling uit en Christus gaf een levende jongeling aan zijn moeder terug. Ouders van verloren zonen en dochteren, geef de moed nog niet op. Hij roept de dingen die niet zijn, alsof ze waren. Onlangs ontving ik een brief van iemand, die als jongeling naar een vergelegen land gereisd was. Hij wenste te breken met zijn Christelijke opvoeding. Er waren wel dragers beschikbaar die hem wilden helpen om de wijde wereld in te gaan, zijn ouders bedroefd en teleurgesteld achterlatend.
Hij mocht echter met de verloren zoon tot zichzelf inkeren. Het machtwoord: „Jongeling, Ik zeg U, sta op", deed hem uit de doden opstaan. Dat woord is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard. Als we met dat zwaard de doodsteek ontvangen worden we levend. Dan beginnen we te spreken en te vragen: „O God, wees mij zondaar genadig."
We lezen van de geraakte, dat hij door vier vrienden werd gedragen vlak voor de voeten van de Levensvorst. Zulke dragers voeren ons niet van God af, maar dragen ons op aan de Troon der Genade en bidden: „Zult Gij aan doden
wonderen doen en zullen de overledenen opstaan."
We weten het dat sommige jonge mensen het zo moeilijk kunnen hebben. Hun opvoeding verloochenen durven ze niet en bidden kunnen ze niet. De dragers staan te lokken om ze te brengen naaide plaatsen der ij delheid.
Bedenk dan dat er nog wenende moeders en zuchtende vaders zijn: die vragen: O grote Christus, eeuwig licht, niets is bedekt voor Uw gezicht. Ontferm U over mijn kinderen voor wie ik bij de Doop een eed heb afgelegd om ze bij het opgroeien breder te onderwijzen in de leer der zaligheid.
Wat was het droevig gesteld met de handhaving en onderwerping aan de tucht. Mijn huis is niet bij God, maar Heere, gedenk aan Uw Verbond waarvan ook mijn kinderen het teken en zegel hebben ontvangen. Triumfeer als de Ruiter op het witte paard over de zonde en over de dood.
Laat de dragers stilstaan en laten jongelingen en jongedochters Uw levendmakende stem horen: „Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over U lichten."
Dan zullen de treurende moeders juichen. Dan zullen de engelen in de hemel blijde zijn en de vaders zeggen: „Deze
mijn zoon is dood geweest en is levend geworden; hij was verloren en is gevonden."
Waarmede zal de jongeling zijn pad, Door ijdelheên omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad.
U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van 't spoor, in Uw geboón vervat,
Niet dwalen, Heer, laat mij niet hulp'loos varen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1962
Daniel | 8 Pagina's