Christus stervende
(Heiman Dullaert 1636-1684)
Al meerdere malen is opgemerkt dat het lijden en sterven van Christus velen hebben geïnspireerd om dit lijden uit te zeggen in klanken of het op het doek weer te geven in verf. Helemaal afgezien van het borgtochtelijke van Christus' lijden en sterven, móét het toch wel diepe indruk maken, dat de Man, die het land doorging goeddoende, met de misdadigers werd gerekend. Heiman Dullaert, leerling en vriend van cle grote Rembrandt, heeft een sonnet geschreven over het sterven van Christus. De dichter begint aldus:
Die alles troost en laaft, verzucht, bezwijmt, ontverft, Die alles ondersteunt, geraakt, o mij! aan 't wijken.
Een doodse donkerheid komt voor zijn ogen strijken. Die kwijnen als een roos die dauw en warmte derft.
Deze regels moeten we eerst even bezien, want op het eerste gezicht zeggen ze ons niet zo veel. Inplaats van „Christus" zegt Dullaert: Die alles troost en laaft, en in de tweede regel: Die alles ondersteunt. De dichter geeft dus een omschrijving van Christus en deze omschrijving treft des te meer, omdat er telkens tegenstellingen op volgen. Hoor maar: Hij, die voor iedereen troost en lafenis schenkt, moet nu alle troost en lafenis missen; Hij gaat sterven: verzucht, bezwijmt, ontverft! Merk de climax op: verzucht (nog enkele zuchten), bezwijmt (nu gaat het leven wijken) en dan, dan komt de doodskleur: ontverft (de kleur trekt weg; het is gedaan).
In de tweede regel staat, dat Hij, die ieders steun is, nu zelf geen steun meer heeft: Hij geraakt aan 't wijken, dat is aan 't wankelen; er is geen houvast meer, want het leven is weggevloden.
En dan gaat het verder: de ogen zien niets meer; het wordt zwart, het licht gaat er uit; de ogen gaan kwijnen, zoals een roos, die geen regen en warmte meer heeft. De dichter vindt het zó erg, dat hij er tussendoor moet zeggen: o mij! Dat is niet alleen om de regel te vullen, maar het is een natuurlijke uiting van dichterlijk gevoel.
Nu komt het tweede gedeelte:
Ach wereld, die nu al *) van zijne volheid erft: Gestarnten, Engelen met uwe Hemelrijken, Bewoond eren der Aarde, ei! toeft gij te bezwijken. Nu Jezus vast bezwijkt, nu uwe Koning sterft?
Drie dingen noemt Dullaert op, die allen door Hem het aanzien hebben: de sterrenhemel, de hemel waar de engelen zich bevinden, en de aarde. En nu vraagt de dichter of dit ganse heelal niet gaat bezwijken, nu de Koning van hemel en aarde gaat sterven. Hoe kan alles nog blijven zoals het is? Er gebeurt iets zó vreselijks, dat men zou verwachten, dat alles uit zijn voegen zou geraken. Juist die vragende vorm verklaart ons hoe diep de indruk is, die de dichter ondergaat. In de terzinen (de twee drieregelige strofen) gaat nu Dullaert over zichzelf spreken:
Daar hij het leven derft, wil ik het ook gaan derven: Maar hoe hij meerder sterft, en ik meer wil gaan sterven, Hoe mij een voller stroom van leven overvloeit.
De dichter wil zijn leven nu ook maar afleggen, nu Jezus zijn leven moet derven (missen). Doch dan wordt het wonderlijk, want doordat er voor hem geen leven meer mogelijk is, hoe meer leven hij gewaar wordt; hoe dieper de dood in, des te meer wordt het leven openbaar; de stroom van leven wordt voller. Dat is niet te vatten; dat is op het eerste gezicht onnatuurlijk. Daarom laat nu Dullaert er op volgen:
O hoge wonderen! wat geest is zo bedreven, Die vat, hoe zoveel sterkte uit zoveel zwakheid groeit, En hoe het leven sterft om doden te doen leven?
Het is een wonder! Niemand kan het verstaan, dat uit de zwakheid van Jezus (Hij sterft immers) zoveel sterkte kan groeien: een voller stroom van leven gaat vloeien! Het leven sterft en daardoor zullen doden beginnen te leven! Hier moet de dichter wel een vraagteken zetten. Het gedicht is klaar. Er is niets anders meer te doen dan te bewonderen: o hoge wonderen!
Nu is het sonnet in stukjes opgeschreven, maar nu moeten we het eens langzaam lezen. Wat we eerst onbegrijpelijk vonden, wordt nu duidelijk. We voelen aan wat de dichter gevoelde: als ik het wonder vatten wil, staat mijn verstand met eerbied stil.
Er is nooit een verklaring te geven van dat lijden en sterven. Wie zal woorden kunnen vinden om peilloze liefde te verklaren?
INDEX
alles
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1962
Daniel | 8 Pagina's