JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een liefdesnodiging  des Heeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een liefdesnodiging des Heeren

4 minuten leestijd

„Zie, Ik sfta aan de deur en, Ik klop". Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ih zal tot hem inkomen en Ih zal met hem avondmaal houden en hij met Mij". (Openbaring 3 : 20)

In onze vorige meditatie hebben we samen overdacht welk een voorrecht het is, als een zondaar door genade Jezus' stem mag horen en de deur des harten openen, zodat Hij inkomt.

Zulken worden echter steeds weer genodigd Zijn stem te horen en open te doen.

Dit moet steeds weer opnieuw de ervaring des harten zijn. We kunnen immers niet één ogenblik op eigen benen staan. Hoe menigmaal zijn we echter geneigd op onze gestalten te gaan rusten. Dan hebben we aan de ontvangen genadeweldaden genoeg en inplaats van naar Jezus' liefdesnodiging te luisteren en uit te gaan naar Zijn gemeenschap, kunnen we het houden bij het genotene.

Het gevolg is echter, dat er een dorheid en dodigheid komt over hun ziel en ze komen te liggen op het bed van zorgeloosheid en zelfgenoegzaamheid.

Zo was het immers met de bruid in het Hooglied. De Bruidegom stond te kloppen: „Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, want Mijn haar is vervuld met dauw en Mijn haarlokken met nachtdruppen". Dat wil zeggen: zulk een lange, nachtelijke reis heb Ik willen maken om U te bezoeken.

Inplaats van echter dadelijk de deur open te doen, antwoordt de bruid: „Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zou ik haar weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zou ik ze weer bezoedelen? "

O, ze liet de Bruidegom wachten, ze liet Hem kloppen en buitenstaan, ze kon het o zo goed buiten Hem stellen en bleef liggen op haar bed.

Dit is voor Gods kinderen geen vreemde zaak.

Tenslotte komt het zover dat de Bruidegom, na lang wachten en vergeefs kloppen, Zijn hand van de deur aftrekt en verder gaat.

En als dan de dodigheid van de bruid gaat wijken, haar traagheid van haar valt en ze opstaat om open te doen, is Hij weg.

O, wat is het dan Gods kinderen bang, als ze ontwaken uit hun ongestalte en het gemis in hun hart een levend gemis wordt, doch dan de Bruidegom is doorgegaan. Dan slaken zij de droeve klacht: „Heere, doe Gij toch Zelf open, Gij Die zelfs de hemelen doorbroken hebt, verbreek de deur van mijn harde hart."

„Voer mij uit de gevangenis (waar ik door eigen schuld in terecht ben gekomen), tot roem Uws Naams, die heerlijk is".

Hun hart wordt heet, als brandende in hun binnenste. Hun ziel dorst naar Hem, naar Zijn zalige inkomst in hun hart. „Och, dat ik Hem vond, Die mijn ziel liefheeft. Ik zou Hem brengen in de binnenste kamer dergene, die mij gebaard heeft".

In hun gemis beseffen ze des te meer de vorige weldaden, toen ze Zijn zalige gemeenschap mochten delen.

, , 'k Heb U vóorwaar in 't heiligdom, voorheen beschouwd met vrolijk' ogen, hoe zag ik daar Uw alvermogen, Jwe blonk Uw Godd'lijk' eer alom. Och, wierd ik derwaarts weer geleid! Dan zou mijn mond U d' ere geven".

Och, de vijand zit dan niet stil in die weg.

Het wordt waarheid: „Gun leven aan mijn ziel", want: „Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren".

Maar wat een eeuwig wonder, dat de Heere de Getrouwe is en blijft, ondanks al de ontrouw der Zijnen.

Al had Hij Zijn hand van de deur afgetrokken en was doorgegaan, om zo Zijn trouweloze bruid werkelijk in haar gemis te brengen, Hij vergeet haar niet, Hij heeft haar lief met een eeuwige liefde.

Hij zal een naar Hem hongerende en dorstende niet overgeven. „Op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft".

„Gij verdrukten, door onweder voortge-

drevenen, ongetroosten, zie, Ik zal Uw stenen glans sierlijk leggen en op saffieren zal Ik u grondvesten".

Hij zal het doen ervaren: „Dat is de stem Mijns liefsten, ziet Hem, Hij komt"! O, hoe nodig is het dan steeds weer Zijn stem te horen en te mogen opendoen.

Maar dit gaat gepaard met sterven aan onszelf, aan alles buiten Hem, want Hij kan Zijn plaats in het hart niet met iets anders delen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1962

Daniel | 8 Pagina's

Een liefdesnodiging  des Heeren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1962

Daniel | 8 Pagina's