Een liefdesRodiging des Heeren
„Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop". (Openb. 3 : 20a)
In onze vorige meditatie (9 februari) hebben we erbij stilgestaan, hoe een mens dooi levendmakende genade oren krijgt om de liefdesnodiging des Heeren te horen. In die liefdesnodiging klinkt het: „Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen".
Maar, al horen ze Zijn stem, al mogen ze Hem zien blinken door de traliën van het Evangelie, al gaan hun brandende genegenheden tot Hem uit, waar in Hem alles ligt, wat ze nodig hebben, hoe zullen ze voor Hem open doen?
Zij leven zo in, dat dit opendoen Gods eigen werk is, want zij vermogen niets in zichzelf.
Zij hebben geen voeten om te gaan, geen handen om te tasten, geen oren om te horen.
Doch die gezegende Borg bereidt voor Zichzelf plaats en doet ook Zelf de deur des harten open.
Hij opende de deur des harten van de stokbewaarder te Filippi, toen deze in verslagenheid uitriep: „Lieve heren, wat moet ik doen om zalig te worden? " Hij opende ook het hart van Lydia, zodat ze acht nam op hetgeen door Paulus gepredikt werd.
Hij opent en niemand sluit, Hij maakt door Zijn Geest ook plaats voor Zijn gezegende inkomst in het hart.
Hij verbreekt alle grendelen van ons eigen werk, van zonde en schuld, van ongeloof en kleingeloof en zal tot de ziel inkomen, zodat ze in verwondering gaan uitroepen: „Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen en huppelende op de heuvelen." Dit is een eenzijdig werk Gods. Daar is geen haar van de mens bij.
Christus past Zelf door Zijn Geest toe de heilgeheimen, die in Hem zijn, en doet Zelf ook toeëigenen.
Hoe zalig is het, als Hij zo tot de ziel inkomt. Zulken mogen iets ervaren van de grote liefde, waarmee Hij hen van eeuwigheid heeft liefgehad toen ze lagen op het vlakke des velds vanwege de walgelijkheid van hun ziel en de verdorvenheid van hun zonde en waarmee Hij Zich voor hen heeft overgegeven.
In innerlijke zielsontroering roepen zij uit: „Hartelijk zal ik U liefhebben, Heere Mijn sterkte."
Weigerden de Joden Christus te erkennen als de Zone Gods, zulken, in wier hart Hij inkomt, aanbidden Hem als Gods Zoon en zeggen met Martha: „Heere, ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods."
O, die liefde, die dan van Hem uitstraalt in hun harten. In het niet zinken zij weg.
Ja, als Hij zo inkomt in de ziel, leidt Hij hen in de staten van Zijn vernedering en van Zijn verhoging.
Dan mogen ze Zijn stem horen in Zijn vernedering, toen Hij uitriep: „Hoe wordt Ik geperst, totdat het alles volbracht zij"; maar ook, dat Hij hun toeroept: „Ik voor U, daar Gij anders de eeuwige dood moest sterven".
Ook echter mogen ze Zijn stem horen in Zijn verhoging, als Hij spreekt: „Ik leef en Gij zult leven".
Hoe hebben ze echter ook bij de voortduur nodig om Jezus' stem te horen en dat Hij steeds weer inkomt. Want dit woord van onze tekst: „Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot Hem inkomen, " moet steeds weer opnieuw de ervaring des harten zijn.
Daar hopen we echter de volgende keer nog nader over te spreken.
Lezers, is er voor die dierbare Middelaar al plaat c gemaakt in uw hart? Hebt ge Zijn s ï gehoord, Zijn liefdesnodiging en is iwC tot opendoen gekomen, zodat Hij inkwam?
Smeek er de Heere anders om. Alleen in Zijn gemeenschap zijn wij zalig, maar buiten Hem is een eeuwig zielsverderf.
Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen! Men loot Hem troeg en spa De wereld hoor en tolg mijn zangen Met amen na! (Ps. 72:11)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1962
Daniel | 8 Pagina's