Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een praatje vooraf.
't Is weer zover, jongelui, er heeft zich een nieuwe K.V. aangemeld bij ons Landelijk Verband. Het is de vereniging uit Nunspeet. Je kunt begrijpen, dat we daar als bestuur heel blij mee zijn en de vereniging uit Nunspeet heten we dan ook hartelijk welkom in ons midden. Ik weet nog niet hoeveel leden deze K.V. telt, maar dat hoor ik nog wel. Ik hoop, dat we in de toekomst prettig mogen samenwerken en dat onze verenigingen een zegen mogen zijn voor vele jongens. Zeg, meisjes; nu moet ik jullie toch ook nog iets vragen. Gaan jullie op een meisjesvereniging, ik bedoel, op een vereniging voor meisjes beneden de vijftien? Ja? Dan moeten jullie eens vragen of jullie leidsters mij even een berichtje willen sturen over jullie vereniging. Misschien hebben jullie in de vorige „Daniël" die oproep wel gelezen, nu daarop heb ik slechts één brief binnen gekregen. Weinig! Ik dacht dat er veel meer van die verenigingen waren. Het zou zo prettig zijn als ik jullie adressen had. Helpen jullie me daaraan? Voor onze nieuwe rubriek „bekende personen" is gelukkig veel animo. Laat ik er maar gauw een paar plaatsen.
Charlotte de Bourbon.
Charlotte de Bourbon werd geboren in 1546. Zij was de dochter van de hertog van Montpensier en Jacqueline de Lonqueville. Haar vader was een hevig vervolger van de Hugenoten. Toen Charlotte nog geen vier weken oud was, werd ze naar het klooster in Jouarre gebracht, waar haar tante abdis was. Toen Charlotte dertien jaar was stierf de abdis en moest zij abdis worden. Op zekere dag kwam Charlotte's moeder, die in het geheim Hugenote was, bij haar op bezoek. Zij vertelde Charlotte over haar geloof. Deze wilde hier wel meer over weten en daarom stuurde haar moeder twee predikanten naar haar toe. Deze onderwezen Charlotte in de Heilige Schrift. De Heere gebruikte dit onderwijs om haar te bekeren tot het Protestantse geloof. Enige tijd later ontvluchtte zij het klooster en ging naar Heidelberg. Op zekere dag kwam Prins Willem van Oranje in Heidelberg. Hij leerde Charlotte de Bourbon kennen en op 12 juni 1575 trouwden zij. Charlotte schonk het leven aan zes dochters: Louise Juliana, Elisabeth, Catherina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantine en Emilie Antwerpiana. Het huwelijk van Prins Willem met Charlotte de Bourbon was zeer gelukkig. Jan van Nassau schreef o.a. over Charlotte: „
Het is een kostbare troost en een grote verlichting voor mijn broeder, dat God hem een gemalin heeft gegeven, die hoog staat door haar godsvrucht en deugd en door haar bijzondere toewijding. Zij is in alle opzichten de beste, die hij voor zich kon begeren."
Op 18 maart 1582 schoot een zeker Jean Jeaurequi de Prins van Oranje in de hals. De Prins werd niet dodelijk getroffen, maar de wond moest dichtgeknepen worden tot hij genezen was. Charlotte verpleegde de Prins. Uren achter elkaar moest ze de wond dichtdrukken. Toen de Prins eindelijk genezen was, werd Charlotte zelf ernstig ziek. Ze stierf op 5 mei 1582. Ze had zich opgeofferd voor de Prins. De moordenaar had niet Prins Willem maar zijn gemalin getroffen. De 9e mei werd Charlotte ten grave gedragen.
Pieter Koning, Tuil.
Keurig Piet; jij houdt zeker wel van geschiedenis. Wat is onze geschiedenis toch mooi, hè! Ik denk dat je broer Nico jaloers op je zou zijn, als zijn opstel nog wachten moest. Ik wil echter niet hebben dat jullie elkaar lelijk aankijken. Daarom komt Nico's werk er vandaag ook in.
Gaspar Olevianus.
Gaspar Olevianus werd geboren op 10 augustus 1436 in het aartsbisdom Trier. Hij had Roomse ouders, want de hele stad was Rooms. Hij studeerde in Parijs voor rechtsgeleerde en had een helder verstand. Op zijn 21ste jaar was hij al meester in de rechten. Eens reisde Prins Herman, de oudste zoon van Keurvorst Frederik de Vrome van de Paltz, met zijn gevolg, waaronder ook Gaspar, naar Orleans aan de Loire. Daar maakte de Prins een zeiltocht met enkele Duitse edellieden. De boot sloeg echter om en Gaspar, die aan de oever stond, sprong de drenkelingen onmiddellijk na, maar kon ze toch niet redden, hoewel hij een goed zwemmer was. Het slik van de Loire zoog de jonge rechtsgeleerde naar de diepte en toen voor 't eerst riep hij God om hulp. „O Heere" riep hij, „als Gij mij redt zal ik in de godgeleerdheid gaan studeren." Toen verdween hij in de diepte en verloor het bewustzijn. Een edelman echter uit het gevolg van de Prins, die aan de oever stond, zag nog net het hoofd van Gaspar en dacht dat het van de Prins was. Hij sprong in de rivier en zwom met krachtige slagen naar de drenkeling. Hij wist Gaspar aan land te krijgen, waar de andere edellieden zagen dat het niet de Prins was, maar de geleerde Olevianus. Op de wal ontwaakte hij uit zijn bewusteloosheid. Toen hij weer thuis was, vertelde hij aan zijn vader over zijn plan om godgeleerde te worden. Zijn vader vond het goed en nu kon Gaspar opnieuw beginnen. Hij ging naar Zwitserland en leerde van een zekere Bullinger. Toen hij een tijd bij Bullinger had gestudeerd wilde hij naar Genève om Calvijn te bezoeken. Op deze reis maakte hij kennis met Willem Farel, die ook naar Genève wilde. Deze raadde Olevianus aan in Trier te gaan prediken. Calvijn vond dit ook heel goed en zo werd Olevianus predikant te Trier. Daar was de regering in verzet gekomen tegen de aartsbisschop en Gaspar werd met open armen ontvangen door de regering. De Roomsen waren woedend op de regeringsleden, want ze hadden Gaspar tot onderwijzer benoemd en zo werd het zuivere Evangelie gepredikt. De kannunniken klaagden bij de aartsbisschop en deze verbood Gaspar op die manier onderwijs te geven. De regering had er gauw wat op gevonden en liet Gaspar in de grote zaal van het stedelijke ziekenhuis prediken en daar had de aartsbisschop niets te zeggen. Gaspar heeft een grote bekendheid gekregen, doordat hij met Zacharias Ursinus de Heidelbergse Catechismus heeft opgesteld. Eerst in 1563 waren ze hiermee klaar. Later werd de catechismus door Petrus Datheen in het Nederlands vertaald. Na de dood van Ursinus was Olevianus als onderwijzer-predikant werkzaam bij de graaf van Witgenstein. In 1584 werd hij door graaf Johan van Nassau, een oom van Prins Willem I, naar Herboren beroepen als predikant en hoogleraar. Daar heeft Olevianus drie jaar gewerkt. Hij stierf in 1587, eenenvijftig jaar oud.
Nico Koning, Tuil.
Ook Nico heeft, zoals jullie zien, een prachtig opstel geleverd. Bedankt hoor Nico! Die „Koningskinderen" kunnen het wel.
opge-We eindigen deze bladzijde met een gedicht, dat werd stuurd door Ria den Besten uit Leerdam.
Bekentenis.
O God, hoe dankbaar moest ik zijn! Hoe dankbaar voor Uw zegeningen. Hoe diep beschaamd moest ik wel zijn Dat ik nog vraag om duizend dingen.
U gaf mij reeds zo veel, o Heer, Ik weet niet waar ik moet beginnen! Als alles voor mijn aandacht komt, Voel ik me blij en rijk van binnen.
Maar als ik dan naar and'ren kijk, Die zich in weeld' en luxe baden, Die huppelend door 't leven gaan, Wijl rozen bloeien op hun paden.
Dan wijkt mijn blijde stemming ras, Komt ontevredenheid mij plagen. En ga ik, o, hoe schaam ik mij, Mij, om mijn lot, bij U beklagen.
Wat is het mensenhart toch boos! Hoe moesten wij toch steeds bedenken, Dat Gij hebt rang en stand gemaakt. Gij elk zijn deel op aard komt schenken.
Laat mij toch bovenal verstaan: Al zou ik schat op schat verwerven, Maar schade lijden aan mijn ziel, Wat zou 't mij baten bij het sterven?
Vergaart geen schatten op de aard, Waar mot en roest ze kan verderven. Maar zoekt de allerhoogste schat, Die in de hemel is, te erven.
F. v. d. Schoot-van Dam.
Allen hartelijk gegroet.
C. DE BODE — Dirksland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1962
Daniel | 8 Pagina's