JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Als het getij verloopt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Als het getij verloopt

6 minuten leestijd

N.a.v. het artikel in „Daniël" ddo. 28 juli 1961 schrijft mej. C. E. de V. te M. het volgende:

De jeugd in het geding

„In art. 5 schrijft U over de traditie. Ik kan heel goed begrijpen, dat er oudere mensen zijn, die niet precies uit de Schrift kunnen bewijzen, dat men niet mag dansen. Maar dat er jongeren zijn, die zestien jaar of nog langer met vader en moeder naar de kerk gingen en onder de Waarheid zijn opgevoed, en tóch nog lust hebben om naar de danszaal te gaan, vind ik heel erg. Als zo iemand zegt: „Op een feestje moet je kunnen dansen enz." dan is hij reeds een stap te ver, want hij behóórt niet op dergelijke feestjes. In het door U geschetste geval ligt m.i. de fout niet bij de ouderen, die niet precies kunnen bewijzen, dat men niet mag dansen, maar bij de jongeren, die het krachtens hun opvoeding kunnen weten, maar niet willen weten".

Inderdaad, het is heel erg dat sommige jongeren (ook ouderen!) de uitgeholde genoegens van de wereld verkiezen boven de strijd voor Christus tegen eigen vlees, de duivel en cle wereld.

Niettemin mogen we absoluut niet vergeten, dat velen in een omgeving verkeren (kantoor, fabriek etc.) waarin deze genoegens als normaal en deze strijd als abnormaal beschouwd worden. En als dan gezegd wordt: „je komt vanavond toch ook, zeg? 't Wordt een reuze avond!", zijn we dan klaar met het antwoord: „nee, daar hoor ik niet aan mee te doen? " Is het niet-mee-doen dan alleen een kwestie van fatsoen of zede?

Nee, we zullen onze collega's op grond van de Schrift moeten aantonen, waarom we niet mee kunnen doen. We zullen hen de leegheid van elk feest, dat zonder Christus gevierd wordt, moeten duidelijk maken! Maar al te vaak blijven we steken in het negatieve: „dit mag niet en dat mag ook niet".

Maar.... wat mogen en moeten wij en zij dan WEL doen?

Als het goed is, moet ons leven dermate door Christus vervuld zijn, dat we aan heel veel dingen eenvoudig niet toekomen, omdat we er geen tijd voor hebben. „En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles" (1 Kor. 9 : 25).

Als deze kern in ons leven ontbreekt, gaan we zoeken naar de .... grenzen. Bijv. „mag ik dansen, mag ik ? ". En dit, terwijl we door de Doop met ziel én lichaam, dus met ons hele hebben en houden, aan Gods dienst ^ijn toegewijd! We worden geroepen om met ons leven te belijden, dat we gasten en vreemdelingen op de aarde zijn (Hebr. 11 : 13). Een gast, een vreemdeling, gaat nooit helemaal op in z n omgeving. Immers: p elk moment moet hij kunnen opbreken, hij moet paraat zijn. Daarom kan het gaan op de smalle weg niet gekombineerd worden met de „genoegens" van de brede weg.

Alles wat we doen, moeten we doen in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.

En op deze manier worden heel wat vragen over levensstijl niet onbelangrijk, maar wel minder belangrijk. Want „gij zijt tot vrijheid geroepen broeders; alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar.... dient elkander door de liefde".

Kritiek op de kritiei

De schrijfster stelt vervolgens:

„In het gedeelte „De verhouding tot de Kerk" schuilt stellig een kern van waarheid. Jammer is, dat U in dit verband niet wat meer gehandeld hebt van de eerbied van de jeugd ten opzichte van de ambten in de Kerk. Een groot gedeelte van de tegenwoordige jeugd is meer ontwikkeld dan de jeugd van enkele jaren geleden. En juist deze meer ontwikkelde 5eugd klaagt vaak, dat men de dominee niet begrijpt. Men heeft vaak o zoveel kritiek op dominee en ouderlingen, terwijl men niet beseft, dat zij de ambten van Christus in de Kerk vertegenwoordigen. Alleen om deze reden is men hun — afgezien nog van hun persoon — geen verafgoding, maar wel eerbied schuldig. Als er wat meer eerbied voor de ambten was, zou er stellig minder kritiek zijn! (Bij de ambtsdragers behoren vanzelfsprekend ook de diakenen).

Door verschillende oorzaken is de tijd vrijwel voorbij, waarin gezegd werd: „Stil! Er gaat een dominee voorbij!" Vaak werd de predikant of ouderling (ten onrechte) bejegend als een „heilige", wiens woord vaak alléén gezag heeft omdat hij bekeerd is; niet zozeer, omdat hij dienaar des Woords en ambtsdrager van Christus is. Op deze manier zijn we gevaarlijk dicht in de buurt van de roomse kerk!

Toonde de hogelijk vereerde dominee of ouderling in levenswandel etc. plotseling minder „heiligheid" dan men wenste, dan sloeg de verering vaak om in de felste verguizing.

Ook in het verleden beantwoordde de waardering van het ambt dus niet altijd aan: „en acht ze zeer veel in liefde, om der wille van hun werk".

En dit verleden is niet afgesloten, het uit zich vaak nóg.

Maar anderzijds staat de ambtsdrager tegenwoordig veel meer op één lijn met de andere gemeenteleden. Is dit een gevolg van enkele sociale veranderingen óf van een terugkeer tot de Schrift? ?

Hoe het ook zij: de ambtsdrager is nu vaak het mikpunt van allerlei kritiek, belangrijke of onbenullige.

Nu is kritiek doorgaans een bewijs van meeleven; de lauwe en ongeïnteresseerde kan onmogelijk warm lopen voor iets, dat hem koud laat! Maar hoe is onze kritiek? We moeten het spreken en doen van de ambtsdrager toetsen aan de H. Schrift. Dat is de enige norm!

Komen we op grond daarvan tot kritiek, dan moeten we bedenken dat wijzelf ook onder de kritiek van het Woord staan. Onze kritiek raakt m.a.w. niet alleen de ander, maar ook onszelf.

Het is ons, als leden van Christus' gemeente, niet toegestaan om op een hoge en veilige tribune te gaan zitten; we zijn zelf ook spelers! We staan midden in het veld!

Onze kritiek is stellig niet feilloos. Immers: hoeveel sympathie of antipathie speelt hierin vaak niet mee? Hoe vaak hebben we kritiek op een preek om zelf maar buiten schot te kunnen blijven? Het kan ook netjes staan, als je op iedere preek een grote dosis kritiek kunt leveren! Niettemin.... geen enkele preek is feilloos, maar „.. .. dat toen gij het woord der prediking Gocls van ons ontvangen hebt niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods woord". Daarom staat elke ambtsdrager én elk ander gemeentelid onder de klem van het bevel: „indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods".

U ziet, hoe verrassend aktueel de Schrift ook in 1962 is! Laten we — met onze kritiek — in ons persoonlijk gebed met de ambtsdragers meeworstelen om de leiding van de Heilige Geest.

Slotopmerkingen Met dit artikel sluit ik de brievenbeantwoording voorlopig af. Enkele briefschrijfsters en - schrijvers heb ik persoonlijk geantwoord. Ik dank u allen voor uw meeleven en belangstelling!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1962

Daniel | 8 Pagina's

Als het getij verloopt

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1962

Daniel | 8 Pagina's