JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een pessimistisch geluid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een pessimistisch geluid

4 minuten leestijd

„Het is een Gods-wonder dat er van die zending nog iets terecht gekomen is." Deze diepe waarheid riep eenmaal een niet-christen onbewust uit. Wanneer we letten op de traagheid van de kerk, zoals in het vorige artikel is aangetoond, dan moeten we deze niet-christen gelijk geven. En zeker, als we nog meerdere zaken opnoemen, die de zending eer schade dan voordeel hebben aangebracht.

Laten we eerlijk zijn, in de zendingsgeschiedenis worden alleen figuren belicht, die van de schouderen opwaarts groter waren dan de anderen. Over topfiguren, die een enorme stoot gaven aan de zending, wordt (zeer begrijpelijk) gewag gemaakt. Maar naast die grote figuren hebben ook mensen gestaan met geringe toewijding en met weinig bekwaamheid en doorzicht en die daardoor meer schade deden aan de zendingsarbeid dan dat zij tot zegen waren. Wat kostte het vroeger veel moeite om mensen bereid te vinden tot het uitdragen van het evangelie onder de heidenen. Men moest zich soms behelpen met mannen, die in de maatschappij zich onmogelijk hadden gemaakt en die zich opgaven voor het zendingswerk met minder goede bedoelingen, in elk geval zonder zendingsvuur, laat staan het vuur van de Heilige Geest. Zulke zendelingen, die misstappen maakten in het moederland, leefden ook niet onbesproken in de heidenwereld, zodat de indruk op de bevolking allesbehalve was. Verder dient ook genoemd te worden het stroeve werken van de zendingsgenootschappen. Daar de kerk zich niet of heel weinig met zending bemoeide, moesten wel zendingsgenootschappen opgericht. In het eerst was alles vol vertrouwen en goede verwachting, maar al spoedig ging het eerste vuur zijn warmte verliezen en ging er weinig kracht meer van uit. De volgende geslachten hadden zodoende weinig van de liefde tot de zending ontvangen en op huil beurt konden ze die dan ook niet overdragen op hun nakomelingen.

Er is nóg een grote belemmering geweest om het evangelie ingang te doen vinden: in de vorige eeuw en in het begin van onze eeuw was er in de meeste landen, waar het evangelie werd gebracht, een koloniale overheid. Het gedrag van vele overheidspersonen, van vertegenwoordigers van handel en scheepvaart, heeft een ernstige sta-in-de-weg gevormd tot het aannemen van het christendom door de heidenen. De europeanen, die de lakens uitdeelden, leefden meestal in weelde en wellust, met al de gevolgen hiervan, zeer ten nadele voor het christenleven, dat door de zendelingen gepoogd werd te brengen. De heidense bevolking stelde europeanen en christenen op één lijn, wat van hun kant zeer begrijpelijk is.

Daar komt nog bij, dat de twee wereldoorlogen op rekening werd gesteld van het christelijk Westen: het christendom bracht dus niet veel goeds!

Hoe is het dan mogelijk, dat ondanks al die belemmeringen, het aantal christenen in de laatste 25 jaar zo toegenomen is? De niet-christen sprak van een Gods-wonder.

Laten we alles nuchter bekijken. Men heeft wellicht de uitdrukking „rijst-christenen" gehoord, en men begrijpt de bedoeling: Christenen die uit zucht naar maatschappelijk welvaren zich hebben laten dopen en niet uit volle overtuiging. Het zal steeds ondoenlijk zijn om uit te zoeken uit welke overwegingen heidenen zich lieten dopen, daar wij geen hartenkenners zijn. Het zal ook voor ons moeilijk uit te maken zijn met welk oogmerk de mensen lidmaat van de kerk worden.

Onder de duizenden christenen uit de laatste kwarteeuw zal veel kaf schuilgaan; het is alles geen goud wat er blinkt. Het geestelijk gehalte van de meesten kan niet hoog aangeslagen worden. Dit is trouwens geen wonder, als we bedenken dat er zo weinig zendelingen zijn om de grote kudde te regeren, te leiden en te beschermen. In de bekende zendingsopdracht (Matth. 28 : 19) staat niet tevergeefs: erende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.

Na de toetreding tot de kerk is zoveel nazorg nodig: de nieuwe leden zijn op het goede spoor gebracht, maar ze moeten op dat spoor blijven, en niet terugvallen tot het heidendom dat afgezworen werd.

Dit alles is wel een pessimistische opsomming van gebreken en tekortkomingen, van veinzen en afvallen, maar er zijn ook optimistische klanken!

N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1962

Daniel | 8 Pagina's

Een pessimistisch geluid

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1962

Daniel | 8 Pagina's