Een liefdesnodiging des Heeren
„Zie, Ik sta aan de deur en Ik klopr (Openb. 3 : 20a).
II.
Christus klopt door verschillende middelen aan de deur van ons hart.
Hij klopt door middel van de Wet. De Wet was reeds ingeschapen in het hart van Adam. Zij eist volkomen gehoorzaamheid; God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf.
Die wet is de wet der liefde. Zij is ook de uitdrukking van Gods Recht; want die wet drukt uit waar God recht op heeft.
De betrachting van die wet was de mens in de staat der rechtheid dan ook geen dwang, maar een lust. Het was zijn hoogste begeerte God alleen te verheerlijken, Hem te beminnen als het hoogste goed, in Zijn volkomen gemeenschap te leven en zich te verlustigen in de Heere. Het heeft de mens echter niet goed gedacht om God in erkentenis te houden. In zijn diepe bondsbreuk heeft hij de band der levensgemeenschap met God verbroken, is hij de duivel toegevallen en heeft zich gestort in de drievoudige dood.
Toen Adam zich losrukte van God, viel in hem, daar hij ons verbondshoofd was, het gehele menselijke geslacht. Wij staan alzo schuldig tot de dood aan al de geboden van Gods Wet krachtens erf-en dadelijke zonden. Doch de Wet blijft volmaakte gehoorzaamheid eisen, want God is niet veranderd, maar wij! Daarom lezer, hoor de klopper van Gods heilige Wet op de deur van Uw hart: „Betaal, wat gij Mij schuldig zijt". „Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen."
Degenen, die door de bearbeiding des Heiligen Geestes geopende oren verkrijgen om die kloppingen van Gods heilige wet te verstaan, leren het uitroepen: „Wee mij, dat ik zo gezondigd heb."
Zij leren het in diepe smart verstaan, dat ze al Gods geboden overtreden en niet één daarvan gehouden hebben, en dat daarom de vloek der wet op hen rust.
Zij zien de eeuwige dood voor ogen. Zij leven in, dat het hun zonden zijn, die de scheiding maken tussen God en hen, en hoewel zij vrede bij God zoeken in de weg van hun werken, leren zij hun algehele verdorvenheid kennen om ook maar één gebod te kunnen houden en één goede gedachte uit zich zelf voort te brengen.
O, aan hun zijde is het eeuwig verloren. Maar wat kan het zulken een wonder zijn, als dan de nodigingen des Evangelies tot hen komen, want niet alleen de wet klopt, maar Christus klopt ook door het Evangelie, de blijde boodschap, dat, waar nu door de zonde geen enkele mogelijkheid van behoud meer was overgebleven, God Zelf een weg heeft geopend waardoor een verloren mens kan zalig worden met behoud van al Gods deugden.
Lezer! hoor, hoe Christus de klopper van het Evangelie, van de blijde boodschap der genade, op de deur van uw hart laat vallen.
Hij roept het U toe: „Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en Uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij en eet het goede en laat Uw ziel in vettigheid zich verlustigen."
„Laat U met God verzoenen." „Alleenlijk, ken Uw ongerechtigheid, dat ge tegen de Heere gezondigd hebt."
O, hoort gij die klopper des Evangelies, zondag aan zondag, wanneer ge in de kerk komt en zo dikwijls als ge Gods Woord ter hand neemt?
Jezus klopt ook door het ziekbed, dat in onze woning staat, door het kruis, dat onze schouders schuurt en door de zorgen, die onze blik verdonkeren.
De Heere zoekt nooit de ondergang van enig mensenkind, maar in alle wegen die Hij houdt, zijn Zijn roepstemmen.
Doch evenzeer klopt Hij door de weldaden, welke wij ontvangen en door de voorspoed, die we mogen genieten. Hij klopt om binnen gelaten te worden.
Lezer, hoort gij al die kloppingen van Jezus op Uw hartedeur? Hoort gij Zijn stem? Of is het zo dat de stem der wereld de stem van Jezus overstemt. Ziet ge misschien in tegenspoeden op de om-
standigheden inplaats van de klopping van Jezus, de roepstem des Heeren erin te beluisteren?
Is het bij U al tot openen gekomen? Ach, onze verdorven natuur wil niet luisteren als geklopt wordt op de deur van ons hart, maar holt liever door op de weg des verderfs, tegen alle kloppingen in.
Och, buig dan ook Uw knieën en smeek, of God U eens te sterk mocht worden, opdat Uw vijandschap gebroken werd en ge de strijd moest staken. Want wie heeft zich tegen God verhard en vrede gehad?
„Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt U niet."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1962
Daniel | 8 Pagina's