JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Diskussiehoek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Diskussiehoek

6 minuten leestijd

Internationale Raad van Christelijke Kerken (I.C.C.C.)

In „Daniël" no. 10 van vrijdag 17 november troffen we twee meningen aan: Scheveningen: De I.C.C.C. stuurt niet aan op een organisatorische eenheid van kerken. Wel naar eensgezindheid; het is een zaak van de kerken zelf de onderlinge verdeeldheid op te lossen. Utrecht: Men is het in de I.C.C.C. ongeveer met elkaar eens in de negatie van de Wereldraad, maar desondanks laat men de kerkelijke verdeeldheid onaangeroerd. De geachte debater uit Utrecht is opnieuw in de pen geklommen om zijn standpunt nader uiteen te zetten en schrijft het volgende:

„M.i. is niet zozeer de kerkelijke verdeeldheid, dan wel wat hiermee onlosmakelijk verbonden is (theologische hoogmoed, gebrek aan inzicht in de beperktheid van eigen standpunt etc.) in lijnrechte strijd met de opdracht van Christus om één te zijn in Hem. Wil het — door ons! — gescheurde lichaam van Christus herstellen, dan is het nodig dat onze houding t.o.v. andere kerkformaties verandert. Dan niet langer: „Zij dwalen", maar „wij dwalen als schapen en keren ons een ieder naar zijn weg".

Het is m.i. onjuist, dat de I.C.C.C. haar interne kerkelijke verdeeldheid niet aanroert, mede omdat zij een Internationale Raad van Christelijke kerken is. Nu kan de I.C.C.C. wel pogen een „bolwerk tegen de machten van on-en bijgeloof te vormen, maar een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet bestaan. Daarom in dit verband de vraag: Wat zou er met de I.C.C.C. gebeuren, wanneer de W. v. K. zou ophouden te bestaan?

Het is een bekend feit, dat ook de Baptistische denominaties lid zijn van de I.C.C.C. En heeft de I.C.C.C. ooit in dit verband de kinderdoop aan de orde gesteld?

Het gaat er mij niet om de I.C.C.C. hiermee te „kraken". Het verheugt me, dat in de Ger. Gem. het besef ontstaat, dat Christus' kerk zich niet beperkt tot één bepaalde kerkformatie, maar dat ze wereldwijd is.

Maar toch lijkt het mij geboden, dat de I.C.C.C. iets bescheidener wordt in haar beschuldigingen aan het adres van de W. v. K., zolang zij de kerkelijke verdeeldheid binnen haar conferentiezaalmuren wil laten voor wat ze is. De eenheid van het lichaam van Christus is kennelijk niet een zaak, die zich ongestraft laat negeren".

Tot slot geef ik hier nog een mening weer van iemand uit Nieuw-Beijerland: „Een vorige maal schreef ik u al, dat ik anti-Wereldraad was. Maar nu moet u niet denken, dat ik een geweldig voorstander van de I.C.C.C. ben. Maar als ik dan alles lees van de I.C.C.C, ook wat de leerstellige grondslag betreft, dan zeg ik ook weer: De I.C.C.C. is waard door ons gesteund te worden. Dan mogen we niet afzijdig blijven. We willen menigmaal zo graag de I.C.C.C. omvormen tot wat goed is in onze Ger. Gem.-ogen en dan, ja dan pas lid worden. Dit gaat natuurlijk niet. Er blijven meningsverschillen. Maar dan zegt Calvijn: „Men moet zich niet afscheiden om het één of ander meningsverschil". Calvijn probeerde alles om de eenheid te bewaren of te bewerkstelligen: „Wij mogen ons niet afscheiden van de dienaren van Christus dan met het gevoel alsof onze ingewanden werden uitgedrukt" en „Het enige fundamentele leerstuk, dat onder geen beding mag worden aangetast is, dat wij Christus leren." Daarom geloof ik, dat, wanneer wij als Calvinisten meer naar Calvijn handelden, (wij) ook meer samenwerkten met anderen, dus ook in de oecumene. En daarom herhaal ik nogmaals: ik ben geen heethoofdige felle I.C.C.C.-er, maar toch is het onze taak om deze organisatie van bijbelgetrouwe kerken te steunen met stoffelijke middelen, maar ook met gebed.

Aangezien er geen nieuwe gezichtspunten om de hoek komen kijken, is het geloof ik, tijd geworden de diskussie over de I.C.C.C. te sluiten. Ik zou echter nog graag een aantal konklusies willen trek-

ken en daarin een korte samenvatting willen geven van hetgeen de diskussie over dit onderwerp heeft opgeleverd:1. De Wereldraad van Kerken werd unaniem afgewezen.

„De basisformule van de W. v. K. is zeer onvolledig; ook al zou deze formule een meer schriftuurlijk karakter krijgen, dan heeft zij, gelet op de vrijheid van interpretatie, geen enkele uitsluitende kracht."

2. Eenheidsstreven is geboden: „Wij kunnen geen toeschouwers blijven in de eeuw van de oecumene".

3. Tegen de constitutie van de I.C.C.C. kan geern bezwaar zijn. „Zij is in overeenstemming met de Bijbel".

4. Men heeft echter wel kritiek op de I.C.C.C.: „Men is het daar ongeveer met elkaar eens in de negatie van de Wereldraad, maar desondanks laat men de interne kerkelijke verdeeldheid onaangeroerd."

5. Fel keert men zich tegen de Ger. Kerken in haar houding t.o.v. de I.C. C.C. „Daarom betreur ik de houding van de Gereformeerde Kerken in Nederland, waarin vele pleitbezorgers van de Wereldraad gevonden worden." Het is naar mijn mening niet geoorloofd om in 't midden van de wip te gaan zitten, zoals de Ger. Kerk doet."

6. De Ger. Gem. zijn niet aangesloten bij de I.C.C.C. Dit vooral is een steen des aanstoots bij de meeste briefschrijvers: „Daarom betreur ik evenzeer de houding van onze Ger. Gemeenten t.a.v. de I.C.C.C. Deze is immers heel vaak negatief. We zouden ons in deze materie moeten verdiepen. Onze mensen moeten eucumenisch leren zien en denken." „Moeten de Ger. Gem. wat de I.C.C.C. betreft, weer alleen blijven staan? " „Ik kan eigenlijk niet begrijpen, waarom toch altijd weer de Ger. Gem. zich overal van distanciëren. In onze gemeenten wordt zo vaak een arrogant standpunt ingenomen, of wij het alléén maar weten. Hoeveel traditie is er niet als een ijzeren wet onder ons gegroeid. Wee degene, die zich hieraan vergrijpt. Een dergelijk geluid als wij vernemen in de leerstellige grondslag van de I.C.C.C. moet ons verheugen en bereid doen zijn mede te werken, ook al zijn er dingen, die wij misschien anders zouden willen hebben."

Eindelijk wil ik allen, die aan de diskussie over de I.C.C.C. hebben deelgenomen, hartelijk dank zeggen voor hun moeite, die zij zich gegeven hebben en de medewerking. Van sommigen kreeg ik meer dan één schrijven. U hebt er allen aan meegeholpen, het begrip „oecumene" onder onze mensen te brengen en te verdiepen. Ik acht dat een winstpunt. Bovendien was de diskussie erg oriënterend en leerzaam. Laten de J.V.'s er op hun vergaderingen, vooral op hun jaarvergaderingen, hun winst mee doen. Ze hebben hier een prachtig onderwerp. Ik heb zelf voor mijn inleiding gebruikt het mooie boekje: „De oecumenische beweging en de Bijbel" van dr. D. Hedegard, uitgegeven door de I.C.C.C. 1959, vertaald door ds. J. C. Maris. Hopelijk bespreekt mijnheer Kwekkeboom het nog eens in „Daniël".

Diskussie gesloten!

Het volgende onderwerp, dat ik thans aan de orde hoop te stellen, luidt: „De vrije zaterdag".

P.S. De heer B. te U., hartelijk dank voor uw suggestie. Te zijner tijd komen D.V. de door u genoemde onderwerpen aan de orde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1962

Daniel | 8 Pagina's

Diskussiehoek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1962

Daniel | 8 Pagina's