IN DES KONINGS DIENST
Het was markt geweest. In een coupé zaten enkele veehandelaars, een korporaal, die met verlof naar huis ging, en een predikant.
De korporaal had de treurige hebbelijkheid, zijn drukke redeneringen voortdurend met vloeken te doorspekken, en de leraar voelde zich tenslotte toch gedwongen, daarover een woord te zeggen.
„Gij dient de Koningin, mijn vriend, ik zie het aan uw uniform!" „Ja, mijnheer!"
„Zoudt ge het dulden als uw Koningin werd beledigd? "
„Ik zou wel eens willen zien", antwoordde de korporaal met verheffing van stem, „wie dat durfde bestaan in mijn nabijheid!"
„Welnu ik dien een Koning; dat is God. Gij beledigt Hem onophoudelijk met uw vloeken en misbruiken van Zijn heilige Naam.... zoudt ge daarmee niet willen ophouden? "
De korporaal antwoordde: „Mijnheer, u hebt gelijk, ik hoop het niet meer te doen.'*
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1962
Daniel | 8 Pagina's